Een nieuw onderzoeksveld voor de Jellinek

Wat zou er van Andries Knevel zijn geworden als hij vijftig jaar eerder was geboren?

Hij zou een bescheiden leven hebben geleid. In het dorp wisten ze dat hij ’s nachts ergens voor doorleerde. Waarvoor wist niemand, maar vast stond dat hij een studiehoofd was. Buiten het dorp genoot hij geen bekendheid.

Zijn ideaal was de godgeleerdheid. Van kinds af aan had hij de Bijbel van kaft tot kaft leren lezen. Op z’n tiende had hij het Boek als zodanig niet meer nodig: hij kende het toen al van buiten. Prediken was waar hij van droomde. Maar om een dominee te kunnen worden zoals Abraham Kuyper, had hij op z’n minst naar Kampen gemoeten, en dat was misschien een brug te ver.

Als je het Jezus vroeg, mocht de Boodschap trouwens ook zonder kerk verkondigd worden. Waren de hageprekers niet ooit in de vrije natuur begonnen? Met altijd het risico dat verraders de Inquisitie waarschuwden, waarna ze als martelaren op de brandstapel toch nog voor eeuwig roem oogstten die in geschiedenisboeken tot ver buiten het dorp gememoreerd zou blijven. Voor het Woord had je geen kerkgebouw nodig.

Zo begrepen de mensen ten slotte waarvoor hij al die late uren had doorgeleerd, en er waren altijd wel vijf en soms zelfs acht buren die naar hem kwamen luisteren als hij uit het Boek las en er uitleg bij gaf. Zijn gehoor was niet meteen wat je een gemeente kon noemen. Maar Jezus had aanvankelijk ook maar twee of drie vissers als discipelen aangetrokken. De ongelovigen uit het dorp noemden hem achter zijn rug smalend de catechiseersmid. Dat kwetste hem geenszins.

Hij liep al tegen de zestig toen de honderdvijftigste geboortedag van Charles Darwin werd herdacht en de kranten ineens volstonden met de evolutietheorie. De leer die haaks stond op het scheppingsverhaal had hem vaak geïntrigeerd, en diep in z’n hart leek ze hem aannemelijker dan de versie van Genesis. Maar moest hij dat van de daken roepen? Nee natuurlijk. Hij gunde zijn dorpsgenoten de genade van de onwetendheid.

Kort daarna begon het storm te lopen naar de televisiewinkel. Iedereen moest een toestel hebben, want aan iedereen was wijsgemaakt dat het nieuwe medium de mensen wijzer en rijker zou maken. Zelf onthield hij zich, en terwijl hij het aantal antennes op de daken zag groeien, dacht hij aan Prediker. ‘Wanneer men van iets zegt: Kijk, iets nieuws, dan is het altijd iets dat er al sinds langvervlogen tijden is geweest’, citeerde hij graag als er bezoek was.

Op een avond vroeg een van de buren die voor de schriftlezing was gekomen of ze niet alsnog tot de aankoop van een televisie-ontvanger moesten overgaan, omdat de Evangelische Omroep zojuist als zendgemachtigde de C-status had bereikt. Andries was toen net zeventig geworden. Hij schudde het hoofd en zei: ‘Ik weet niet of zo’n omroep den Here welgevallig zal zijn en blijven.’

Hij stierf als een in kleine kring gewaardeerd medemens en werd in alle stilte begraven.

Je zou kunnen zeggen dat de Andries Knevel die wij nu kennen een halve eeuw te laat is geboren, toen de televisie al niet meer terug kon en hij – arm, zondig mens – geen afscheid van de roem meer wilde nemen.

Hij werd de homo televisicus bij uitnemendheid: tot alle slechts in staat, als het maar ruchtbaarheid opleverde. Met verloochening van wat hij altijd had geloofd, zocht hij het nieuws dat er al sinds langvervlogen tijden was geweest, en als het dreigde te verbleken zocht hij nieuw nieuws door te zeggen dat hij spijt had.

De homo televisicus ten voeten uit. De Jellinek-kliniek zal er op een dag een aparte afdeling voor moeten oprichten.