Een afscheidsfeest met treingeluiden

O’Horten Regie: Bent Hamer. Met: Bård Owe. In: 7 bioscopen. ****

Odd is een heel gewone naam in het Noors, maar dat het hoofdpersonage uit O’Horten Odd als voornaam heeft is dan weer ongewoon toepasselijk. Odd is namelijk behoorlijk odd (Engels voor zowel oneven als eigenaardig). En O’Horten is een film voor liefhebbers van die typische Scandinavische vorm van humor, die we in Nederland de afgelopen jaren ruimschoots hebben leren kennen in de films van Roy Andersson (vorig jaar nog in You, the Living) en de Fin Aki Kaurismäki.

Deze humor kun je waarschijnlijk ook het beste met odd omschrijven: absurd, droogkomisch en uitgestreken. De nachten zijn lang. De gezichten zijn bleek. En er is altijd te weinig alcohol om het existentialistische leed van de poolnacht te dempen. In zulke films kan het oversteken van een straat al tot een precaire kwestie leiden. Wanhopige slappe-lach-slapstick.

Odd Horten is een 67-jarige treinmachinist die zeer tegen zijn zin met pensioen moet. Jaar in, jaar uit heeft hij de reis van Oslo naar Bergen (van zonsopgang naar zonsondergang) gemaakt en nu is het bijna zijn laatste. Zijn collega’s doen hun uiterste best om hem op te vrolijken met een afscheidsfeest vol treingeluiden en ander tsjoektsjoekgedoe, zoals een quiz over alle tunnels en bruggen tussen Bergen en Oslo. Het zijn volwassen jongetjes die met hun levensgrote Märklintreintjes in de weer zijn. Knap hoe regisseur Bent Hamer dat zo empathisch in z’n waarde kan laten en het toch een beetje aan je gemoed kan laten knagen.

Er is drank, er zijn liederen, en er is nog meer drank, maar het mag niet baten. Sterker nog: Odd ontwaakt nooit helemaal uit die laatste nacht en raakt verzeild in een reeks wonderlijke ontmoetingen die ertoe zullen leiden dat hij zijn laatste trein zal missen.

Odd is een soort Odysseus en Charon, de veerman die in de Griekse mythologie de doden de Styx overzette, ineen. Zonder het te weten heeft hij een tunnel te veel genomen en is hij de onderwereld binnengeraakt. Zie van daaruit, in een land waar het toch al bijna altijd nacht is. nog maar eens naar het licht terug te keren.

De Noorse regisseur Bent Hamer (1956), van wie we hier in Nederland eerder het vergelijkbare Kitchen Stories en de Bukowski-hommage Factotum konden zien, heeft een voorkeur voor de vastgevroren levens van oudere vrijgezellen. Hij vangt ze in het onbeweeglijke filmkader, waarin verder alleen de tijd verstrijkt. En het leven gaat met horten (wat fijn dat we in het Nederlands deze associatie kunnen hebben) en stoten weer van start. Niet de plot en de logica van chronologie doen ertoe in deze film. Horten is juist door zijn lineaire leven van de rechte rails afgeraakt. Hamer daagt zijn personages graag uit om de stap naar verandering te zetten en zo weer op het juiste pad te komen. Wat dat betreft is hij veel optimistischer dan Roy Andersson, die in een film als Songs from the Second Floor zijn karakters voorturend in het voorportaal van de eindtijd liet verblijven.

Via een serie uitgebeende, geestige miniaturen, waarin zijn demente moeder, een blinde automobilist, een hond en een skikampioene (een gastrol voor skispringster Anette Sagen) figureren, zet Horten de locomotief van zijn leven weer in beweging. Uiteindelijk gaan Hamers films over alledaagse helden. Dit kleine ijskristallen juweel inspireert de kijker ooit even ‘odd’ te durven zijn als Horten. In een andere trein te stappen. Of helemaal niet. Maar wel met de zon als beloning.