Aan geld alleen ligt het niet

Met geld alleen los je het hongerprobleem niet op.

Ghanese boeren hebben vaak niet het vermogen om succesvol te ondernemen.

Waarom slagen Ghanese keuterboeren er maar niet in zich te ontwikkelen tot kleinschalige landbouwondernemers? Te veel belemmeringen, blijkt uit onderzoek van de Universiteit Wageningen. Het risicomijdend gedrag van zulke kleine boeren met een eigen bedrijf is daar één van. „Ze kunnen niet, ze willen niet, ze durven niet”, betoogde universitair hoofddocent Hans Eenhoorn gisteren in een lezing aan de universiteit. „Veel ontwikkelingsprojecten mislukken doordat ze geen rekening houden met die weerstand”, zegt hij thuis in Aerdenhout.

Voormalig Unilever-topman Eenhoorn (67) was lid van de Millennium Taskforce on Hunger van de Verenigde Naties, die vier jaar geleden met een actieplan kwam om de honger vóór 2015 te halveren. Het aantal hongerenden is sindsdien toegenomen: vorig jaar tot 963 miljoen. Belangrijkste oorzaak is volgens Eenhoorn dat rijke landen zich niet aan hun belofte houden om voldoende geld beschikbaar te stellen voor hongerbestrijding. Maar geld alleen, waarschuwt hij, is geen garantie voor succes.

Dat ondervond hij als initiatiefnemer van een schoolvoedingsprogramma in Ghana dat door de Nederlandse overheid wordt betaald. Geef 500.000 kinderen elke dag op school te eten. Betrek het voedsel van lokale boeren. Zo bestrijd je in één klap honger, armoede en absentie. Dat was het idee.

Maar zo werkt het niet. Lokale boeren leveren niet het voedsel voor het schoolvoedingsprogramma. Dat heeft te maken met politieke inmenging en corruptie, zegt Eenhoorn, maar ook met onvermogen van de boeren om ‘op planmatige wijze te produceren voor een nauwkeurig omschreven markt met winstoogmerk’. Dat is een definitie van ondernemen.

Wat let hen? Het antwoord op die vraag is cruciaal voor de honger- en armoedebestrijding in Afrika, zegt Eenhoorn. Tweederde van de Afrikaanse bevolking woont op het platteland en is afhankelijk van landbouw. Velen zijn keuterboertjes die niet eens genoeg verbouwen om zelf voldoende te kunnen eten. „Consumenten”, zegt Eenhoorn. „Geen producenten. Door uitputting van de grond, bevolkingsgroei en klimaatverandering zakken ze steeds verder weg. Ze hebben alleen toekomst als ze erin slagen hun productie te verhogen en het overschot rendabel te verkopen.”

Maar het ontbreekt hen daarvoor aan kapitaal. Ze hebben geen geld om goed zaad en kunstmest te kopen. En dat is nog maar een van de 26 belemmeringen waarop de Wageningse onderzoekers in hun gesprekken met 1.200 Ghanese keuterboeren zijn gestuit. Hoe plan je als je geen informatie hebt over weersomstandigheden en afzetmarkt? Hoe krijg je de gewassen naar de markt als er geen weg is en je niet over een transportmiddel beschikt? Hoe maak je winst als je geen idee hebt van kosten en baten en niet kunt rekenen?

Op de meeste belemmeringen hebben ze geen of weinig greep. Op sommige zouden ze invloed kunnen uitoefenen als ze zich organiseerden. Zo zouden ze een tegenwicht kunnen vormen voor overheid en tussenhandel. In Afrika doen ze dat niet, stelt Eenhoorn vast. „Ze weten niet hoe het moet. En ze zijn wantrouwig, ook onderling. Ze zijn te vaak belazerd. Een ander zou eens meer kunnen profiteren dan zijzelf.”

Keuterboeren staan ook zichzelf in de weg. Generaties lang leven op de rand van de honger heeft hen geconditioneerd om risico’s te mijden. Om belemmeringen te aanvaarden, niet uit de weg te ruimen. Om te consumeren zolang het nog kan. Niet om te sparen en te investeren. „Ze weten zich nooit veilig”, zegt Eenhoorn. „Wat ze bezitten, kan hun altijd worden afgepakt.”

De obstakels die hongerende keuterboeren ervan weerhouden zelfredzame landbouwers te worden, zijn zo groot en talrijk, zegt Eenhoorn, dat ze die onmogelijk op eigen houtje kunnen overwinnen. Ze hebben hulp nodig. Twintig jaar lang is volgens Eenhoorn de landbouw in de derde wereld „schandelijk verwaarloosd, wat mede oorzaak is van de huidige voedselcrisis”. Nu liggen er allerlei plannen voor een groene revolutie in Afrika. De Europese Unie heeft dit jaar 1 miljard euro voor steun aan keuterboeren in ontwikkelingslanden gereserveerd.

Veel van die goedbedoelde initiatieven, waarschuwt Eenhoorn, gaan uit van een topdown benadering die in het verleden nooit heeft gewerkt. Er ligt wel erg veel nadruk op kapitaalinjecties en technische ingrepen ter verhoging van de productiviteit. „In Afrika werkt het zo niet”, zegt Eenhoorn. „Als je voorbijgaat aan de manier van denken van de boeren, bereik je niks. Dan verdampt het geld.”

Alleen een integrale aanpak heeft volgens Eenhoorn kans van slagen. Niet alleen financiële en technische belemmeringen, alle belemmeringen moeten worden aangepakt. Het initiatief moet aan de boeren worden gelaten. Het mag niet van bovenaf opgelegd worden. Zij moeten de kans krijgen een machtsfactor te worden.

Eenhoorn ziet ook wel dat sommige beperkingen niet zomaar kunnen worden weggepoetst. Zoals beroerd bestuur. En hij weet ook wel dat beroerd bestuur andere beperkingen in stand houdt. Zoals ontbreken van infrastructuur en veiligheid. „Een Catch-22-situatie”, zegt hij. Maar hij weigert te geloven dat keuterboeren gedoemd zijn altijd keuterboer te blijven. „Ik ben liever naïef.”