Wat we tegen meneer Poepjes moesten zeggen, wisten we eigenlijk niet

De twee vrouwen aan het cafétafeltje naast me kwamen uit Weesp. Een week geleden de onbijzonderste stad van Nederland, nu een stad waar mensen met camera’s heentrokken, waar men een mening over had, waar al dan niet mannen met witte maskers om schoolgebouwen heen hadden gecirkeld.

De vrouwen waren een bejaarde moeder en haar dochter. Ze hadden het, uiteraard, over Weesp. Ik vermoed dat alle mensen uit Weesp het dezer dagen over Weesp hebben.

‘Zielig voor die jongens’, zei de bejaarde moeder tegen haar dochter. ‘Dat ze nog steeds vastzitten.’ De jongens zouden later op de dag te horen krijgen dat ze vrijgelaten werden, maar dat wist de vrouw nog niet.

‘Zielig?’ zei haar dochter. ‘Laat ze nog maar een tijdje vastzitten! Leren ze misschien wat van!’

‘En als Joris zoiets gedaan zou hebben?’ vroeg de bejaarde moeder. Joris was, dat was duidelijk, haar kleinzoon.

‘Dan zou ik hem laten opnemen in een psychiatrisch ziekenhuis’, zei de dochter vastbesloten.

Ik dacht terug aan de vele telefoongrappen die ik als kind, en ook als tiener, had uitgehaald. Erg creatief waren die grappen niet; het draaide er meestal op uit dat ik met mijn zus en ons buurmeisje wéér meneer Poepjes in het telefoonboek opzocht en hem opbelde, om vervolgens in lachen uit te barsten als hij opnam. Wat we tegen meneer Poepjes moesten zeggen, wisten we eigenlijk niet.

De andere grap was opbellen naar de Boodschappendienst – de prehistorische vorm van voicemail, waar je boodschappen voor andere mensen kon achterlaten – en dan boodschappen bestellen. Drie tomaten, een kilo aardappelen, een pak karnemelk. Dit alles weer afgesloten door ons eigen gierende gelach en dan gauw ophangen.

Het was minder heftig dan opbellen naar een school en zeggen dat je de Weesper seriemoordenaar bent, maar ik kende het sfeertje wel. Elkaar opjutten, denken dat iets heel grappig is, en dan een nummer draaien en wat roepen. Waarschijnlijk hadden die jongens de school in Weesp als hun eigen meneer Poepjes gezien. Dat was ontzettend stom, maar geen materiaal voor de gevangenis. Of een psychiatrische kliniek.

De vrouw uit Weesp ging over op het belangrijkste aspect van deze zaak.

‘Zeg’, zei ze tegen haar moeder, ‘heb jij nog bekenden voorbij zien komen in al die uitzendingen over Weesp? Ik zit de héle tijd te kijken. Lijkt me zo leuk als ze iemand interviewen die ik ken!’