Tegenstrijdige gevoelens

Een vriendin vertelde me over een merkwaardige ervaring bij Albert Heijn.

Op een doordeweekse middag stond ze haar boodschappen uit te zoeken. Het was erg stil in de zaak – vrijwel geen andere klanten en weinig personeel. Ze wilde een gesneden brood hebben, maar er stond niemand achter de toonbank en ze liep naar de klantenservice, waar via de microfoon iemand werd opgeroepen. Terwijl ze weer terugliep naar de broodafdeling, zag ze een jonge man met donker krulhaar bij de schappen met drank spullen onder zijn korte, leren jas stoppen. Hij keek haar schichtig aan. Zij keek schichtig terug.

Ze liep door, bestelde een brood en ging weer terug. Ze zag hoe de man ook in een andere gang bij de etenswaren allerlei zaken onder zijn jas moffelde. Het was zo’n jas waarvan de taille met onzichtbaar elastiek bijeen werd gehouden. Daarboven kon heel wat worden opgetast zonder gevaar voor neerstortend ongerief.

De man begaf zich in de richting van de kassa’s, waar hij, al of niet bij toeval, op een bekende, een oudere man, stuitte. Ze smoesden wat en liepen vervolgens samen de winkel in. Toen de jonge man zich even later bij de kassa meldde, was hij in korte tijd een stuk dikker geworden.

Hij rekende maar één artikel af.

Bij de uitgang bleef hij even staan voor de vrouw met de daklozenkrant. Hij graaide een pak koekjes onder zijn jas vandaan en gaf het haar.

„God bless you”, zei ze tegen deze nieuwste versie van Robin Hood. Ze zei dat altijd tegen iedereen die haar wat gaf.

Dat liet hij zich geen twee keer zeggen, en hij verdween in de grijze motregenmiddag.

De vriendin die me dit vertelde, kon haar ervaring moeilijk vergeten. Ze was getuige geweest van onbeschaamde winkeldiefstal en toch had ze niets gedaan.

Op de plaats van het delict was ze verlamd geraakt door allerlei tegenstrijdige gevoelens. Moest ze het personeel niet waarschuwen? Eigenlijk wel, maar er waren ook allerlei argumenten die tegen zo’n interventie pleitten. Allereerst was er de mogelijkheid dat de dief zich tegen haar zou keren. En waarom zou zij enig risico lopen als Albert Heijn te beroerd was om op zo’n middag voldoende personeel in te zetten? Ze konden toch weten dat daarmee de kat op het spek werd gebonden, zeker in het centrum van Amsterdam?

Maar ze moest toegeven dat er nog een ander motief had meegespeeld, als een zachte, bekende melodie op de achtergrond. Zo’n jongen stond vermoedelijk ook niet voor zijn lol te jatten. Hij moest honger en dorst hebben gehad. Het kon erger. Een paar straten verder had hij ook met een pistool bij de juwelier kunnen binnenlopen.

Ze keek me aan. Ik wist dat nu de vraag ging komen die ik mezelf al gesteld had: wat zou jij gedaan hebben?

Hetzelfde, dus niets, besloot ik. Aangeven, klikken, doe je alleen in ernstige gevallen.

„Goed”, zei ze, „ik verlies in zo’n winkel 100 euro, iemand raapt het op en steekt het bij zich. Jij ziet dat. De ander wil het niet teruggeven. Wat doe jij? Waarschuw je het personeel, eventueel de politie?”

„Ja”, zei ik ferm.

„Dus Albert Heijn mag wél bestolen worden, maar ik niet?”

„God bless you.”