Los van omgeving worden machtige figuren gewoon

Tentoonstelling ‘Richard Avedon - Photographs 1946- 2004’ T/m 13 mei in Foam Amsterdam. Dag 10-18u. 020- 5516500 www.foam.nl

Op 25 augustus 1973 maakte de Amerikaanse fotograaf Richard Avedon in Sarasota in Florida een foto van zijn vader. Wat op het negatief werd gevangen was het beeld van een keurig geklede heer die vol onbegrip de camera inkijkt. Als een gevangen, bang vogeltje staart hij de lens in. Het is een beeld van een man die in gedachten de wereld al heeft verlaten.

Die verdwaasde, ingekeerde houding van Jacob Israel Avedon, een handelaar in dameskleding, is te zien op alle foto’s die zijn zoon van hem maakte tussen oktober 1969 en augustus 1973. In die periode ging Richard Avedon regelmatig op bezoek bij zijn vader in Florida, die kort na de laatste opname aan de gevolgen van kanker overleed.

Een jaar later exposeerde Avedon met acht foto’s van zijn vader in het Museum of Modern Art in New York (MoMA). Dezelfde serie maakt nu deel uit van de grote overzichtstentoonstelling van Richard Avedon in het Fotografiemuseum Amsterdam (Foam). Tussen de gestileerde modefoto’s en fascinerende zwart-wit portretten van beroemdheden als Francis Bacon en Truman Capote, zijn het deze persoonlijke beelden die het meest raken, zelfs huiveringwekkend zijn.

Avedon, die in de jaren vijftig van de vorige eeuw zijn carrière begon als modefotograaf en uitgroeide tot een van de beroemdste portretfotografen van de wereld, werd in de periode dat hij telkens naar Sarasota afreisde meer dan ooit zijn geconfronteerd met de filosofische betekenis van ‘het portret’. Dat blijkt ook uit een brief die hij in 1970 aan zijn vader schreef en die later is gepubliceerd in het fotoboek Richard Avedon Portraits (2002).

Hierin vatte Avedon de afstand, die hij voelde ten opzichte van zijn vader, als volgt samen: „Als jij poseert voor een foto, doe je dat achter een glimlach die niet van jou is. Je bent boos en hongerig en je leeft. Wat ik in je waardeer is die intensiteit. Ik wil portretten maken die even intens zijn als mensen. Ik wil dat jouw intensiteit in mij overgaat, door de camera gaat, en wordt herkend door een buitenstaander.”

Niet alleen met zijn vader, maar ook met de fotografie, bleek Avedon een strijd te voeren. Want was het eigenlijk wel mogelijk om ‘de boosheid’ en ‘de honger’ van zijn vader met behulp van een camera vast te leggen? Stuitte hij in feite niet op een ondoordringbare muur die zijn vader, bewust of onbewust, om zich heen trok?

In Borrowed Dogs, hetzelfde essay waarin ook de brief aan zijn vader is opgenomen, schrijft Avedon dat het niet mogelijk is om met een camera iemand te doorgronden of daarmee ‘de waarheid’ vast te leggen. „Het punt is dat je niet bij het ‘ding zelf’ kan komen – de ware natuur van degene die voor je zit – door het oppervlak weg te halen. Het oppervlak is het enige wat er is.”

Met deze gedachte in het achterhoofd is het fascinerend om naar al die andere portretten te kijken die, afgezien van een vroege selectie modefotografie, ruimschoots worden gepresenteerd in het Foam. Los van een aantal indringende kunstenaarsportretten – waaronder een geestelijk verwarde dichter Ezra Pound, een uitzinnige pianist Oscar Levant, een norse regisseur John Ford en een eenzame Marilyn Monroe – zijn vooral de radicale portretten uit de jaren zeventig indrukwekkend. In die periode raakte Avedon steeds meer sociaal betrokken. Zo publiceerde hij in 1976, in een speciaal nummer van Rolling Stone, ‘The Family’, een serie van 69 zwart-wit foto’s van staatshoofden, vakbondsleiders, advocaten en mediamagnaten.

In Foam zijn nu 56 portretten uit deze serie te zien. Iedereen die ook maar enige maatschappelijke of politieke relevantie had, van Katharine Graham, uitgeefster van The Washington Post, tot aan George Bush, destijds directeur van de CIA, werd op de foto gezet. Avedon deed dat telkens op dezelfde manier: hij liet iedereen langskomen in zijn studio en fotografeerde hen, in keurige werkkleding, tegen een witte achtergrond.

Niet de roem van de personages maar de kaalheid van het wit, waarbij er niets is wat het oog afleidt van de persoon zelf, maakt deze serie zo fascinerend. Losgezongen van hun omgeving zijn al deze machtige figuren ineens weer gewone mensen, ieder op zijn eigen wijze getekend door de tijd.

Nog krachtiger zijn de zwart-wit foto’s die Avedon een paar jaar later voor het Amon Carter Museum in Texas maakte. Voor deze serie, getiteld In the American West , reisde hij tussen 1979 en 1984 een aantal westelijke staten af waar hij portretten van arbeiders, zwervers en truckchauffeurs maakte. Ook deze mensen, die hij gewoon fotografeerde in de buitenlucht, staan voor een witte achtergrond en staren recht de camera in.

Opvallend is dat Avedon de intensiteit, die hij zo naarstig zocht bij zijn vader, juist bij deze vreemdelingen heeft weten te vangen. Neem het portret van James Kimberlin, een zwerver die Avedon fotografeerde langs de weg in New Mexico. Zijn smoezelige kleding, zijn doorgroefde kop, zijn scheve houding en argwanende blik: uit alles spreekt een wantrouwen jegens de samenleving. Het is een portret dat dieper raakt dan het oppervlak. En daarmee wist Avedon, ook al geloofde hij er zelf niet in, toch het wezen van deze persoon te vangen.

Daarmee is Avedon een betere fotograaf gebleken dan hij zelf wilde geloven. Redenerend dat de mens altijd een masker draagt waarachter hij zich verschuilt, kon hij het toch niet laten telkens te blijven zoeken. En vaak wist hij ergens toch bij iemand wel een gaatje lek te prikken.

Ook bij zijn vader. Want na zijn overlijden vond Richard Avedon de bewuste brief, die hij destijds had geschreven, terug in het beste pak dat zijn vader nooit droeg.