Een jaar onafhankelijk, maar geen feestje hoor

Als je in Kosovo de straat opgaat, word je niet vrolijk.

Er is weinig werk en veel armoede. De internationale bevoogding zijn veel Kosovaren ook zat.

Het is misschien maar een geluk dat Kosovaren veel roken, anders zouden veel van zijn landgenoten er financieel nóg slechter aan toe zijn, grapt Vullnet Gacaferri. De 26-jarige Gacaferri combineert twee banen, één in de vormgeving en één in de marketing. Daardoor is hij een van de gelukkigen die nog sigaretten kan kopen van de venters aan wie je in geen kroeg, restaurant of drukke straat in de hoofdstad kunt ontsnappen.

Smokkelsigaretten zijn het, 1,70 euro voor de bekende Amerikaanse merken, de staatskas ziet er geen cent van. „De sigarettenverkopers verdienen ongeveer twintig euro per dag. Anders zouden ze misschien met een euro of iets meer moeten zien rond te komen”, verduidelijkt Gacaferri.

Torenhoge werkloosheid, echte armoede, slecht onderwijs, abominabele gezondheidszorg. Daar liggen de Kosovaren van wakker sinds het parlement in Pristina op 17 februari vorig jaar de onafhankelijkheid uitriep en zich afscheidde van Servië. Niet dat álles slecht gaat in het jarige Kosovo. In één jaar tijd is het land wel degelijk veranderd, vindt directeur Lulzim Peci van de denktank Kipred. Zo is weinig gebleken van de gevreesde etnische spanningen tussen de minderheid van 130.000 Serviërs en de meerderheid van bijna twee miljoen Albanezen.

Er is wel één probleemgeval: Mitrovica. Mitrovica is een gescheiden stad, met Serviërs ten noorden van de rivier Ibar en Albanezen ten zuiden daarvan. In het zuiden spreekt men Albanees, is de euro het betaalmiddel en hebben de auto’s nummerplaten van de Kosovaarse regering. Eenmaal de brug over hoor je alleen maar Servisch, betaal je met dinars en hebben de auto’s kentekens uit Belgrado. Als ze al een kenteken hebben. De brug passeren mag alleen per auto, maar niemand met een Kosovaarse nummerplaat waagt zich in het noorden, of omgekeerd.

„En het wordt hier alleen maar slechter, wij leven in een reservaat”, zegt Nedzad Ugljanin, een inwoner van Bosnjacka Mahala (Klein-Bosnië), een kleine, multi-etnische wijk in het noorden. Dat zegt ook Maja Ficovic, een Servische journaliste. „De politieke leiders spelen een spel over onze hoofden heen. En deze generatie is er het slachtoffer van. De twee delen van de stad functioneren als aparte landen.”

Maar om terug te komen op de problemen met economie, onderwijs en zorg: de regering hoeft zich niet op de borst te kloppen omdat etnische spanningen zijn uitgebleven, schrijft onderzoeksjournalist Krenar Gashi in zijn commentaar in de krant Prishtina Insight. Want intussen wordt niets gedaan aan de hoge werkloosheid, leeft 15 procent van de bevolking van 1 euro of minder per dag, geeft de helft van de bedrijfsleiders toe zich wel eens te bezondigen aan corruptie en wordt de privatisering van staatsbedrijven misbruikt voor politieke benoemingen en het spekken van politieke partijen.

En ja, de regering is succesvol met de aanleg van wegen en scholen. Maar, merkt Gashi op, wat hebben we aan nieuwe schoolgebouwen als we elk jaar dertigduizend jongeren de arbeidsmarkt opsturen die niet eens correct kunnen spellen en geen uitzicht hebben op een behoorlijke baan?

Bovendien werden veel families tot voor kort op de been gehouden door Albanezen in de diaspora – de VS, Duitsland, Zwitserland. Nu zij daar hun baan verliezen of moeite hebben met hun hypotheek, verkiezen de ooms van Detroit tot Düsseldorf om de geldstroom richting Kosovo te staken.

Van de internationale gemeenschap verwachten de Kosovaren na tien jaar niet veel meer. „Die heeft ons zeker geholpen, maar is nu een rem op onze ontwikkeling. De Brusselse naïviteit is indrukwekkend. Ze hebben al die tijd niets geleerd”, zegt Lulzim Peci. Dat het verbindingskantoor van ‘Europa’ in Pristina niet duidelijk kon maken waaraan 400 miljoen van de bijna 2,5 miljard euro Europese subsidies was uitgegeven, draagt niet bij aan het vertrouwen in de Europeanen.

Een van de mensen die zich het felst verzetten tegen de internationale aanwezigheid is Albin Kurti, leider van de actiegroep Vetëvendosje (letterlijk: zelfbestuur). Kosovo is niet het probleem, zegt hij, „maar de buitenlanders en Servië”. Hij noemt de onafhankelijkheid „een lege doos”. „Niemand lost de echte problemen op, de internationale gemeenschap niet, de lokale regering niet. Bij de laatste verkiezingen ging nog geen 40 procent van de mensen stemmen. Dat is omdat ze de neo-koloniale bevoogding meer dan zat zijn. De internationale gemeenschap onderhandelt niet alleen, maar bestuurt ons ook.”

Ook de nadruk van de internationale gemeenschap op mensenrechten hindert soms bij het opbouwen van de rechtsstaat. Zo wilde de regering het verlenen van kentekenbewijzen koppelen aan het betalen van de elektriciteitsrekening. De Servische minderheid ziet in energiebedrijf KEK een verlengstuk van de Kosovaarse republiek, die ze niet erkennen.

De Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) tekende protest aan, omdat zij de koppeling ziet als een schending van het recht op basisvoorzieningen. Dus blijven de Serviërs hun rekeningen negeren en rijden ze rond met in het beste geval een Servische nummerplaat. Door stabilisatie te prediken houdt de internationale gemeenschap dit soort wetteloosheid in stand, meent Albin Kurti.

Moeten alle Europeanen dan verdwijnen? Nee dat niet, zegt Kurti. „Natuurlijk kunnen we hulp gebruiken. Alleen hebben we geen vreemde soldaten en agenten nodig, maar bekwame dokters, goede leraren en echte professoren. Die mensen zou de Europese Unie hier naar toe moeten sturen.”