Dreigen als symptoom van de nieuwe tijd

De reacties op dreigementen tegen een school in Weesp waren heftig. Overdreven of terecht? „De mensen zijn gevoeliger geworden.”

Een kwajongensstreek. Een domme grap. Zo verwoordde een lezer van de Volkskrant gisteren het dreigtelefoontje naar een basisschool in Weesp. De schrijver op de opiniepagina begrijpt niet waarom het incident „bijna als een terreurdreigement” wordt behandeld.

Kwajongensstreek of niet, het dreigtelefoontje én de dreigbrief naar een andere basisschool leidden vorige week tot veel commotie. Burgemeester, politie, ouders en media raakten er niet over uitgepraat. Waren de angstgevoelens reëel? Of was sprake van massapsychose, een mediahype misschien?

„Het was wel degelijk een angstige situatie”, meent criminoloog Hans Boutellier, bijzonder hoogleraar veiligheid en burgerschap aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. „School en burgemeester hebben adequaat gereageerd. Moderne crisisbeheersing, transparantie, uitsluiten van elk risico.”

Volgens de criminoloog is er „veel meer gedoe rond scholen” dan voorheen. „Zo’n dreigtelefoontje is symptomatisch. Het is tegenwoordig heel moeilijk nuchter te blijven. Iedereen wil weten wie de schuldige is. Uit angst voor het onbekende. De acceptatie van het lot is afgenomen.”

Mediasocioloog Peter Vasterman, universitair docent aan de Universiteit van Amsterdam, vindt dat de burgemeester van Weesp niet adequaat heeft gehandeld. „De gemeente had de zaak low key moeten behandelen. Niet alleen de mensen op straat, ook de autoriteiten doen bewust mee aan het ‘opschalen’ van gebeurtenissen. Dat begon na 9/11 en het is na de moord op Fortuyn en Van Gogh alleen maar erger geworden.”

Vasterman was niet verrast door de dreigementen in Weesp, een paar weken na de dodelijke steekpartij op een kinderdagverblijf in het Belgische Dendermonde. Vasterman: „Zo’n opwindende gebeurtenis wordt altijd geïmiteerd. Copycat-gedrag.”

Ook de angst van slachtoffers lijkt besmettelijk. Vasterman: „Kijk maar naar de poederbrieven. Veel paniek, maar in Nederland is nog nooit miltvuur in een envelop gevonden. Net zoals niet iedereen die op een viaduct loopt een stoeptegel op de snelweg gooit. De mensen zijn veel gevoeliger dan vroeger, ze gaan veel sneller naar de politie als ze iets verdachts zien. En de autoriteiten brengen het veel eerder in de publiciteit. Vroeger werden ook politici bedreigd, alleen hoorden we dat pas achteraf.”

Volgens criminoloog Boutellier heeft Nederland „de truttigheid en burgerlijkheid” in rap tempo afgeschud. „De bevrijding van de jaren vijftig heeft een ruimte gecreëerd die de ouders van toen niet hebben voorzien. De beschavingsbuffer is weggesleten. De legitimiteit van de straattaal is flink toegenomen. Onder het mom: alles kan, ik zeg wat ik denk. Een cultuur van kwetsen, krenken en bang maken. Tegen die achtergrond moet je deze dreigementen en reacties zien.”

Willem Wagenaar, emeritus hoogleraar psychologische functieleer aan de Universiteit Leiden, noemt de collectieve angst in Weesp „zeker niet onzinnig”. Hij verdedigt de handelwijze van de burgemeester. „Maar hij had de gedetailleerde kennis niet in de publiciteit moeten brengen. Die zal nog een grote rol spelen in het bewijsmateriaal.”

Wagenaar geldt als een deskundige op het gebied van herinneringen. Hij uit nu twijfels over de gemaskerde man die in Weesp is gesignaleerd. De politie denkt dat het om een tiener gaat die fan is van een gemaskerde hardcoreband, mogelijk Slipknot.

Wagenaar: „Iemand ziet een verdachte persoon en vertelt dit aan iemand die weet van de zaak in Dendermonde. Weer iemand anders is opgevallen dat iemand met een wit gezicht rondliep. Zo krijg je het verhaal dat iemand met een wit masker zich bij scholen ophoudt. Het lijkt alsof de puzzelstukjes in elkaar vallen, alsof dit de waarheid is. Het zijn visuele illusies. Bijeffecten van hoe het geheugen werkt.”

Angstgevoelens zijn van alledag, zegt Wagenaar. Hij noemt het „broodje-aapverhaal” uit Oude Pekela in 1987. „Daar zouden tientallen kinderen zijn misbruikt door een rondlopende clown. Bleek niks van waar. Maar als je daar toen als clown zou hebben rondgelopen, was je gelyncht.”

Een soortgelijke affaire speelde in 1999 op een school in Emmer-compascuum. Wagenaar: „Tientallen kinderen zouden in een kelder zijn misbruikt. Die kelder is nooit gevonden. De onthutste ouders werden in het ongelijk gesteld, ze waren niet blij dat hun kinderen niet misbruikt werden, om het cru te stellen.”

De rol van de pers, die veel aandacht besteedde aan ‘Weesp’, moet niet worden overschat, vindt mediasocioloog Vasterman: „De media hebben hooguit een versterkende rol. De commotie is in gang gezet door anderen.” Criminoloog Boutellier: „Media verzinnen geen zaken, ze vergroten wel uit. En het aantal bedreigingen neemt nu eenmaal sterk toe. Logisch dat daar aandacht aan wordt besteed.”

Boutellier noemt internet een belangrijker factor als het gaat om aanwakkeren van angstgevoelens. De dreigementen in Weesp mogen nog per brief en telefoon zijn geuit, maar de veiligheidsdeskundige ziet een grote rol van nieuwe media. Die hebben „een totaal ander moreel decor geschapen. Bedreigen is veel eenvoudiger dan vroeger.”