De recessie en de kunst van het nietsdoen

Heeft stimulering zin voor de open Nederlandse economie? Niet ingrijpen, niet bezuinigen en de begroting op haar beloop laten is misschien wel beter.

Zware tijden zijn het: voor het eerst sinds begin jaren tachtig is vrijwel de gehele wereld tegelijkertijd in recessie. Zelfs een kwart eeuw geleden was het niet zo volledig. Japan onttrok zich toen aan de malaise. Wellicht dat de olierecessie van 1974 en 1975 een betere maatstaf is.

Net als toen staan beleidsmakers voor de zeer complexe taak een antwoord te vinden. Het voordeel van nu is dat de dogmatiek van het keynesianisme, die begin jaren zeventig nog onaangetast was, plaats heeft gemaakt voor een gevarieerder palet aan zienswijzen. Dat betekent niet dat het eenvoudiger zal zijn een antwoord te vinden. Er zijn ruwweg drie overwegingen die meetellen.

De eerste is of, en in hoeverre, de overheidsfinanciën moeten worden toegestaan mee te bewegen met de economische situatie. De staat is meer kwijt aan sociale zekerheid, terwijl de belastinginkomsten achterblijven. Dat duwt de begroting in het rood. Bezuinigen is als antwoord onder de huidige omstandigheden contraproductief, want dat maakt de vraaguitval alleen maar erger. Maar er zijn wel grenzen aan wat de staatshuishouding aankan. Is een tekort van 3 procent, zoals maximaal toegestaan in de eurozone, genoeg? Er is dispensatie, in de vorm van een zware recessie, waarbij lidstaten een groter tekort mogen hebben, en aan die voorwaarde zal in 2009 zeker worden voldaan. Maar dan nog: 4 procent of meer wordt gevaarlijk. De meeste overheden moeten ook al extra geld lenen voor steun aan hun financiële sector, en er is een grens aan wat de kapitaalmarkt waar zij al dat extra geld moeten lenen, kan hebben. Op dit moment zijn de rentes die overheden betalen zeer laag, omdat beleggers nergens anders naar toe kunnen dan naar de als veilig beschouwde markt voor staatsobligaties. Maar als de rente oploopt, gaan de rentebetalingen ook omhoog, en dat kan in de toekomst een groot probleem worden.

Dat raakt aan de volgende overweging: moet er actief worden ingegrepen? Dat leidt tot een nog groter tekort en de vraag is of het helpt. Stimuleringsmaatregelen doen er lang over om effect te hebben. Eerst moet er politieke consensus over zijn, dan moeten ze worden uitgedacht en uitgevoerd en vervolgens duurt het even voordat er een macro-economisch effect is. Reken op minstens een jaar. Sinds het begin van de erkenning van de acute macro-economische problemen, eind september 2008, is er al bijna een half jaar verstreken.

En als er dan wordt gestimuleerd, in welke vorm moet dat dan? In Amerika staan twee scholen lijnrecht tegenover elkaar. De Republikeinen zetten overwegend in op belastingverlaging, terwijl de Democraten zich in meerderheid achter een bestedingsimpuls hebben geschaard. Het resultaat is een niet al te samenhangend plan, waarvan de effectiviteit nog moet worden bezien.

Deze discussie is zeker niet exclusief Amerikaans. Ook in Nederland gaan kabinet en Kamer door al de bovengenoemde fasen. Stel nu dat de begroting wordt toegestaan te verslechteren tot een tekort van 3 procent van het bruto binnenlands product. Dan zal de discussie gaan over de mogelijkheid dat er, zonder actief op te treden, al een groter tekort ontstaat. Vervolgens komt de vraag of de overheid niet meer moet doen. Daar wordt het pas echt interessant. Want hoe stimuleer je een kleine, open economie? Zoals op bijgaande grafiek te zien is, beslaan export en import meer dan 70 procent van het bruto binnenlands product. Een groot deel daarvan is doorvoer en vergelijkbaar met een Chinese toerist in Amsterdam: even naar het Rijksmuseum, snel dimsum eten op de Nieuwmarkt en meteen weer door naar Duitsland of Frankrijk.

Maar ook zonder deze doorvoer is het lek naar het buitenland groot. Extra koopkracht door bijvoorbeeld lastenverlichting maakt grote kans weg te sijpelen: plasmatelevisies worden hier niet gemaakt en dat geldt ook voor veel andere luxegoederen. Een manier om de koopkracht lokaal te houden is een groter accent op de bestedingen van lagere inkomens, die verhoudingsgewijs meer zullen besteden aan basale behoeften. Dat heeft politieke gevolgen, want de inkomensverdeling wordt erdoor veranderd.

Stimulering door extra uitgaven kan ook, en wordt vaak gezocht in het naar voren halen van grotere infrastructurele investeringsprojecten. Maar hoe groot is het effect daarvan, en belangrijker nog: komt dat op tijd? Het is bovendien maar de vraag of de overheid het best in staat is te bepalen wat werkt en wat niet.

Tijdsdruk, politieke onenigheid en een onzekere effectiviteit staan actief overheidsingrijpen dus nogal in de weg. En draai alle maatregelen maar weer eens terug als de recessie achter de rug is. Dat maakt de optie aantrekkelijk om de zaak gewoon op zijn beloop te laten, maar dan ook niet te paniekerig te doen over het begrotingstekort dat op de korte termijn fors kan oplopen. Niets doen is soms de beste keus. Al zal dat voor de ambtenaren en beslissers in Den Haag niet al te makkelijk zijn.

Maarten Schinkel

NRC Handelsblad werkt voor deze rubriek samen met de website MeJudice, www.mejudice.nl

Lezers kunnen reageren op de bijdragen van Maarten Schinkel op nrc.nl/schinkel.