Zangerigheid bij Chailly

Klassiek Gewandhausorchester Leipzig o.l.v. Riccardo Chailly. Gehoord: 15/2 Concertgebouw, Amsterdam. ****

Vijf jaar lang was hij niet in Amsterdam te beluisteren. En echt voor de wind ging het Riccardo Chailly niet sinds zijn vertrek als chef-dirigent van het Concertgebouworkest. Vooropgesteld: met het Gewandhausorchester Leipzig koos hij voor een nieuwe positie met gewicht en historie. Chailly is er de veertiende ‘Kapellmeister’ na Mendelssohn, en die rol neemt hij uitermate ernstig op. Bij de opera in Leipzig vertrok hij afgelopen najaar; te veel gedoe met regisseurs en intendant. Eenzelfde lot trof zijn werk in Milaan, aan La Scala en bij het Orchestra Sinfonico Giuseppe Verdi. Internationale gastdirecties? Nu liever niet. Begin vorig jaar kwamen daar nog hartproblemen bij. Chailly zag er eens te meer reden in zich op het Gewandhausorchester te focussen en tekende bij tot 2015.

Voor Chailly moet het gisteren een merkwaardig gevoel zijn geweest: met zijn nieuwe orkest op zijn oude plaats in het Concertgebouw. Voor de zekerheid koos hij een ander dirigeerpodiumpje dan je normaal ziet. Maar voor het publiek maakte dat niets uit; dat verwelkomde hem met een intens applaus vooraf en een bulderovatie met flesjes wijn na afloop.

De vertrouwde omgeving maakte extra duidelijk wat een ander orkest het Gewandhaus is. In verhouding tot het Concertgebouworkest klinken de strijkers Mid-Europeser en donkerder, de koperblazers wat feller en verraadt discipline een andere speelcultuur.

Spil van de tournee die het Gewandhausorchester en Chailly maken is Mendelssohn: Leipziger oer-chef én in dit jaar tweehonderd jaar geleden geboren. Mendels-sohn en het orkest zijn, kortom, nauwelijks te scheiden en in de Derde symfonie leidde dat tot grote beeldende kracht (rukwinden!) naast een zangerigheid die naar Brahms vooruitwees en in helderheid op Bach terugblikte.

Dat daarop de Derde symfonie van Bruckner volgde, deed logisch aan om meer dan alleen de evocerende kracht die beide werken delen. Zoals Mendelssohn kan worden gezien als „de laatste classicist én eerste romanticus” (bron: Chailly), zo is Bruckners Derde een soort oer-symfonie. Bruckners typerende monumentaliteit en scherp tussen climaxen en bedaagdheid zappende montagetechniek zit er al in, maar ingebed in een minder afgewogen kader. Buitengewoon was hier de afwerking van contrasten tussen rauwe uitbundigheid, steunende lamento’s die het timbre van het strijkerskorps onderstreepten en écht zacht gespeelde, serene momenten.

Het wachten is op Chailly’s terugkeer bij het Concertgebouworkest. Voorlopig is hij te druk met Leipzig en de projecten aldaar. Een Matthäus voor Decca onder meer. Dat troost. Maar het blijft schraal.