Paarse make-up past elke Aziaat

Drie jaar bleef Leslie Chang in een Chinese fabrieksstad.

Ze leefde er met Chinese vrouwen, ondervond hun mentaliteit en haar eigen culturele botsingen.

Chinese arbeiders op weg naar een fabriek in Zhangmutou, in de zuidelijke provincie Guangdong. Foto AP HOLD FOR USE WITH STORY SLUGGED CHINA-WORRIED WORKERS--Workers walk up a street to start their sift at a factory in Zhangmutou, in Dongguan, in China's southern Guangdong province, Tuesday, Feb. 10, 2009. Millions of migrant workers are searching for jobs in what has long been one of China's biggest job markets - the sprawling industrial zones in Guangdong province, often called the "world's factory floor." (AP Photo/Greg Baker) Baker, Greg

In de berichten over de ontslaggolf die Chinese fabriekarbeiders treft, zijn het de getallen die het gebeurde op afstand houden. Wat moet je je voorstellen bij twintig miljoen nieuwe werklozen in de laatste maanden, meer dus dan de bevolking van Nederland? Wie zijn die mensen? Is het voor een westerling mogelijk zich te verplaatsen in een Chinese migrant, één gezicht uit de onvoorstelbare massa van naar schatting 130 miljoen Chinese arbeidsmigranten?

Ja, dat kan nu dankzij Leslie T. Chang, voormalig correspondent van The Wall Street Journal en auteur van een fascinerend boek over Chinese arbeidsters. Bijna drie jaar verbleef Chang in Dongguan, een fabrieksstad in de Parelrivierdelta in Zuidoost-China, met naar schatting 1,7 miljoen lokale inwoners en 7 miljoen migranten, van wie 70 procent vrouw.

Op de eerste bladzijden van haar boek ontzenuwt Chang snel enkele ideeën over de vrouwen. Zij zijn geen arme boeren, ze zijn juist de rurale elite. Ze weten niet echt wat boeren is, ze zaten op school. Ze ontvluchten niet zozeer armoede, alswel uitzichtloosheid. Shuqu – erop uitgaan – is het moeilijkste wat ze ooit gedaan hebben, maar ook het avontuurlijkste.

De eerste periode is het zwaarst, met de slechtste fabrieken, de slechtste slaapplaatsen en werken onder een valse naam omdat je nog te jong bent voor een legale identiteitskaart. Maar tussen 2004 en begin 2007 is het nog mogelijk om binnen een half jaar hogerop te komen door snel van baan te wisselen (‘to jump factories’) en ‘talentenmarkten’ te bezoeken. Bluf en lef zijn belangrijk, want niemand vraagt bij een sollicitatie door.

Factory Girls is in veel opzichten verbazingwekkend. De risico’s die de meisjes nemen, het tempo waarin ze ingrijpende zaken beslissen, wedijveren met het tempo van de productieprocessen op hun werk: alleen vaart houdt deze wereld overeind. Chang beschrijft Dongguan als ‘een stad waar alles bezig is iets anders te worden’.‘Een paar computerlessen katapulteren je naar een andere klasse, een ochtend op de talentenmarkt kan genoeg zijn voor een nieuwe carrière’. Ook alle kennissen zijn nieuw, alle contacten oppervlakkig. Vaak verdwijnen mensen zomaar van het toneel, ze zijn voor hun kennissen of familie niet meer te traceren in het immense industriële landschap. Maar richtingloos is het daarmee niet, dit bestaan. Opwaarts en voorwaarts, dat is wat telt. Als gekken werken veel meiden aan zelfverbetering.

De pasklare regels van Amerikaanse zelfhulpgoeroes, of de Chinese, lukrake afspiegelingen daarvan, blijken houvast te bieden in het niemandsland tussen een wegebbende groepsmentaliteit en gretig opgezogen individualisme. De devotie waarmee men in de etiquetteklas leert dat ‘je een kamer binnen moet lopen alsof je hem bezit’, en dat ‘paarse oogschaduw past bij alle Aziatische vrouwen’ doet Chang denken aan ‘een stoomcursus voor Marsbewoners die willen doorgaan voor mens’. De leraar houdt de meisjes Tsjang Kai-Sjek, Mao en Hitler voor als toonbeelden van eloquentie. Eenzelfde historische gewichtsloosheid en krankzinnige hybride van oosterse en westerse elementen kenmerken de methode Engels die ene meneer Wu ontwikkelde. Uit door hemzelf ontworpen machines rollen gebedsmolens, kaartjes met daarop Engelse woorden die zijn studenten moeten memoriseren. De betekenis leren komt later wel.

In zijn buitenissigheden doet deze confucianistisch getinte ratrace nog het meest denken aan Monty Python’s Life of Brian – Yes, we are all individuals! Maar omdat Chang bovenal geïnteresseerd is in het onooglijke, alledaagse leven van de meiden, graaft ze ook dieper. De meisjes pikken uit al het nieuwe datgene wat hen aanstaat, ze worden ouder en hun levensstandaard verandert soms – voorzichtig doemen er tekenen van middenklasse op. Het knappe is, dat Chang er zo in slaagt de ontwikkeling van een land te beschrijven via de psyche van een handvol zestien-, zeventienjarigen, die, zoals alle adolescenten ter wereld, op weg zijn iemand te worden. De rite-de-passage van jonge Chinezen blijkt een drievoudige sprong voorwaarts, behalve in leeftijd en mentale en fysieke ontwikkeling ook in afstand en in tijd – van de pre-moderne tijd naar de 21ste eeuw.

Maar Factory Girls ontstijgt ook het specifiek Chinese. Het maakt heel goed invoelbaar hoe migranten verschillende identiteiten combineren, en hoe jonge migranten hun identiteit kunnen en willen vormgeven. De schizofrenie die het combineren van twee tijdperken en twee waardesystemen met zich meebrengt, is voor betrokkenen én buitenstaanders even spannend als vermoeiend. Als jonge vrouw van Chinese afkomst zag Chang kans dichtbij haar onderwerp te komen en verweeft haar verhaal met de migratiegeschiedenis van haar eigen familie. Maar interessanter dan de geschiedenis van Changs voorouders is de culturele botsing die zij zelf doormaakt tijdens haar leven met de Chinese vrouwen, en die soms openlijk, soms zonder dat zij zich dit bewust lijkt, naar voren komt uit haar beschrijvingen. Als derde generatie migrant is Chang een volbloed Amerikaanse, tot op het bot geïndividualiseerd; ze heeft in Dongguan moeite met de ongelijkheid van de seksen, met de frontier-moraal die niet goed en kwaad, maar alleen succes en status als norm stelt, en met het gebrek aan privacy. Ze is verbijsterd over een succesvol zelfhulpboek dat niet deugd en volharding, maar bedrog en manipulatie predikt.

Ook dit heldere contrast in het boek tussen het gevorderde en het beginnende individualisme, tussen een mentaliteit die vanaf dag één is ingedronken en een mentaliteit die je het als adolescent mogelijk maakt een hard leven vol te houden, is waardevol. Het maakt Factory Girls tot een ware mentaliteitsgeschiedenis, één die iets heel goed duidelijk maakt. Ontslag of niet, de arbeidsters kunnen niet meer terug. In de Chinese dorpjes wacht hen niets dan verveling en vernedering over het uitblijven van succes. Ze willen verder, nu ze hebben gezien dat dat kan. Doodzonde dus, dat je niet weet hoe het bij dit zware economische weer met de arbeidsters gaat.

Lees Changs weblog: http://thechinabeat.blogspot.com

Leslie T. Chang: Factory Girls. From Village to City in a changing China. Spiegel & Grau, 420 blz. € 24,-. De vertaling verschijnt in april bij Artemis.