Op zoek naar een nieuwe uitweg

De polemiek over de ‘hardheid’ van de Nederlandse identiteit duurt voort.

De Amerikaanse socioloog Steven Lukes levert een nuttige bijdrage aan dit debat.

Aan slagwoorden bestaat geen gebrek in de polemiek over cultuur, nationale identiteit en integratie. Verwijten van relativisme en verraad aan de eigen cultuur aan de ene kant, en van intolerant monoculturalisme en nationalisme aan de andere kant, vliegen over en weer. Maar er gaan ook stemmen op van publicisten die voorbij de polarisatie van mono- en multiculturalisme een nieuwe uitweg zoeken.

Het boek van de socioloog Steven Lukes is een nuttige bijdrage aan dit debat. Lukes fileert de argumenten voor en tegen moreel relativisme, maar wentelt zich niet in het tobberige jargon van onze neo-Huizinga’s.

Moreel relativisme beweert dat morele regels alleen geldigheid hebben binnen een bepaald domein, bijvoorbeeld een groep mensen, een tijdvak of een cultuur. Lukes verwerpt dat relativisme. Het druist bijvoorbeeld in tegen de universele aanspraak van moraal: mensen keuren de moord op onschuldigen af omdat ze het slecht vinden, niet omdat ze het slecht vinden ‘in onze cultuur’.

Bovendien laat relativisme de dilemma’s waardoor het gevoed wordt – de keus uit twee moreel verdedigbare, maar tegenstrijdige handelingsopties – eerder verdwijnen dan dat het ze verheldert. Verder betwijfelt Lukes de empirische basis voor zulk relativisme: culturen waarin het ombrengen van zwakke kinderen bijvoorbeeld is toegestaan, handelen doorgaans uit bittere noodzaak.

Maar absolutisme, de overtuiging dat de morele waarheid vastligt in de natuurlijke ordening der dingen, is volgens Lukes ook een onhoudbare positie. In plaats daarvan zoekt hij een middenweg tussen de Scylla van het relativisme en de Charybdis van het absolutisme. Relativisme is een doorgeschoten reactie op morele diversiteit, maar vertolkt niettemin een correcte intuïtie, namelijk dat waarden niet altijd met in elkaar in overeenstemming te brengen zijn in één compleet moreel register.

Hoe moeten we daarmee omgaan? Lukes doet twee suggesties. De eerste gaat uit van de notie van universele rechtvaardiging. Een praktijk is pas moreel acceptabel wanneer deze voor alle betrokkenen te rechtvaardigen is. Het probleem daarbij is natuurlijk dat mensen die een volgens buitenstaanders verwerpelijke moraal volgen, en daar de dupe van worden, die best gerechtvaardigd kunnen vinden.

Lukes’ tweede suggestie is geënt op Martha Nussbaums interpretatie van de morele antropologie van Aristoteles. Daarin staat de overtuiging centraal dat menselijke vermogens tot bloei moet kunnen komen om een ‘goed leven’ mogelijk te maken. Van die vermogens gaat een morele claim uit. Dat is bijvoorbeeld een argument tegen vrouwenbesnijdenis.

Helaas worden beide posities niet verder uitgewerkt. Als oriëntatie voor verder denken en lezen lijkt de oplossingsrichting van Nussbaum echter bruikbaar: elk humanisme dat niet wil terugvallen in ouderwets relativisme of absolutisme staat voor de opgave respect voor culturen, te combineren met de algemene bevordering van menselijke vrijheid en welzijn. Cruciaal is volgens Lukes een moderner en dynamischer cultuurbegrip dan het 19de-eeuwse idee dat de mensheid verdeeld is in afgeronde ‘eigen’ culturen.

Nederland komt in dit boek ook ter sprake. De backlash tegen multiculturalisme in Nederland is een teken van het ‘kwikzilveren karakter’ van het begrip cultuur. Nog niet zo lang geleden was Nederland een gezagsgetrouwe natie met segregatie van de seksen en een morele afkeer van naaktheid en (homo)seksualiteit. Vijftig jaar later bevinden we ons middenin het hedonistische Nederland van sekslijnen en een sterk ideologische viering van homorechten.

Lukes beaamt dat de heftige reactie tegen het multiculturalisme in Nederland is veroorzaakt door de sterke nadruk op culturele identiteit in de jaren 80 en 90. Niet alleen heeft die de argwaan tegen allochtonen versterkt, het heeft ook een dominant culturalistisch idioom geïntroduceerd waarvan nu ook tegenstanders van het multiculturalisme zich bedienen: de problemen rond integratie worden grotendeels verklaard uit de ‘cultuur’ van migranten, die zich onvoldoende aanpassen aan de ‘kernwaarden’ van de Nederlandse cultuur.

Lukes onderzoekt ook de contouren van een moderner cultuurbegrip. Het verdient aanbeveling om iets over te nemen van zulke interpretaties van cultuur als een ‘kaleidoscoop’ (waarin mensen niet met één cultuur worden geïdentificeerd), als een ‘gereedschapskist’ (zodat de handelingsvrijheid van individuen bewaard blijft) en als een open ‘ecosysteem’. Als socioloog zou Lukes vermoedelijk het liefst helemaal van het begrip af willen. Maar daarvoor lijkt de aantrekkingskracht van het begrip cultuur te sterk, hoe relatief ook.

Steven Lukes: Moral Relativism. Profile, 176 blz. €15,-