Geluk klinkt als een middeleeuwse ziekte

Anke Scheeren: De mooiste dagen zijn het ergst. Nieuw Amsterdam, 160 blz. € 14,95

Geen giftiger geschenk voor een goede debutant dan de vergelijking met een grote voorganger. Zo’n op het oog begerenswaardig etiket op de cover wekt verkeerde verwachtingen, verleidt tot vreemde interpretaties en is moeilijk af te krabben. Nog los van de mogelijkheid dat iemand toch níet de nieuwe Reve of Grunberg blijkt te zijn. In het geval van Anke Scheeren (1982) is er nog een reden om De mooiste dagen zijn het ergst op zichzelf te beoordelen. Niet omdat die voorgangers er niet zouden zijn, maar omdat het boek zich precies afspeelt in de levensfase waarin de vertelster bezig is zich van haar eigen voorgangers te ontdoen.

Lena Fernhout is een ex-kunstacademie-studente, kraakwacht, heeft een amper uitgekristalliseerde relatie, verwaarloost het contact met haar moeder, heeft een scherp oog voor burgerlijke niksigheid en droomt van Curtis Ebbesmeyer, de man die de gangen naging van duizenden badeendjes die in 1992 in de Stille Oceaan belandden.

En ook in haar onsentimentele toon is deze Lena iemand die eerder niet bij de rest van de mensheid wil horen. De formuleringen daarover zijn scherp en er zijn aardigheden als ‘Geluk is een raar woord. Het klinkt meer als een traditioneel Zweeds gerecht. Of een middeleeuwse ziekte.’

Al snel in de roman blijkt echter dat Lena zich niet zomaar van de wereld kan afkeren. Ze wordt teruggefloten. Haar moeder, net geëmigreerd naar Frankrijk, wordt ziek en sterft. Hardhandig wordt ze de rouw ingetrokken – en haar verleden, waarin de afwezigheid van haar vader een belangrijke rol speelt. De plot is vervolgens die van de klassieke rouw- en ontwikkelingsroman. Dat gaat gepaard met matig gecamoufleerde kunstgrepen – wat dat aangaat is De mooiste dagen zijn het ergst echt een debuut – maar dat is niet wat je bijblijft.

Scheerens debuut wordt behalve door de stijl gedragen door de spanning tussen de onontkoombaarheid van het verdriet van de hoofdpersoon en haar onwil om daaraan toe te geven. Die combinatie levert scènes op die het sentiment dicht naderen, maar daar dankzij de toon toch aan ontsnappen. Zoals het moment waarop een weekend vol onmin besloten wordt met het besef van de kwetsbaarheid van Lena’s moeder, alleen in het Franse Toulouse: ‘Mijn moeder op haar winderige balkon, met haar voeten tussen de vuilnis van twee weken.’ Het is een beeld dat je tot lang ná het lezen van deze roman bijblijft. Een schrijver van in de twintig die dat in haar debuut bewerkstelligt, verdient het om vooral met zichzelf vergeleken te worden.

Arjen Fortuin