Feestbeest Elvis

Alle voorbereidingen waren getroffen om Glenn een leuk weekend bij zijn grootouders te bezorgen. Oma haalde hem met de trein uit de provincie op, opa zat in de eerste klas restauratie van het Centraal Station trots te wachten bij de eerste attractie: de kaketoe Elvis, een sneeuwwitte schoonheid onder de papegaai-achtigen, die op het buffet resideert.

Elvis kan zich behoorlijk aanstellen als hij er zin in heeft, met angstaanjagend geschreeuw, rollende kraalogen en parmantig geklauter op de trapleer naar zijn voederbakjes. Ik hoopte dat Elvis bij het zien van mijn kleinzoon in alle staten van uitsloverij zou geraken. Zo’n prachtig jongetje! Voor hem zou hij wel zo’n vlammende show willen opvoeren, waartoe zijn naamgenoot destijds in Las Vegas alleen nog bij machte was als hij tot zijn dikke nek in de speed zat.

Ik had een tafeltje zo dicht mogelijk bij Elvis veroverd. Wat kon er nu nog fout gaan met opa’s eersterangs variéténummer? Elvis zat weliswaar stilletjes te dommelen op zijn dwarsbalkje, maar de ervaring leerde dat hij bij toverslag in een feestbeest kon veranderen.

Waar bleven Glenn en zijn oma nou? Eindelijk, daar waren ze, vol verhalen over ontberingen wegens „herstelwerkzaamheden aan de rails” – de tijd is niet ver meer dat in het weekend de Nederlandse stations alleen nog bereikbaar zijn als je je eigen spoorlijn meeneemt.

Glenn ging tussen ons in zitten met zijn gezicht naar Elvis, die een luie blik over zijn schouder wierp en toen zijn sluimer hervatte. Dat gaf niet, want Glenn had ook nog geen oog voor hém, omdat oma hem steeds betrok in haar mythische reisverhaal. Ons wonderkleinkind bleek een briljante conversatie met de conducteur gevoerd te hebben. Hij had voor het vertrek uit het raam gekeken en geconstateerd: „Ik zie veel wissels. En ook een stoomtrein en diesels. Waar is de conducteur eigenlijk?”

Die stak een arm boven zijn stoel uit en zei: „Kom jij maar eens bij mij zitten, jij weet zoveel van treinen.”

„Ik heb thuis ook treinen”, zei Glenn. „Vooral Thomas, de stoomlocomotief.”

Ik ken Thomas van nogal onwezenlijke Engelse filmpjes waarin treinen met mensennamen doodsaaie avonturen beleven. Glenn kan er urenlang onafgebroken naar kijken.

Daarop begon Glenn de conducteur het verschil tussen stoomtreinen en diesels uit te leggen. Helaas moest de conducteur even weg, toen de trein ergens stopte. Een vrouw kwam binnen en nam plaats op de plek van de conducteur.

„Daar zit de conducteur”, zei Glenn.

„En nu zit ik er”, zei de vrouw. Gelukkig is niet iedereen aardig tegen kinderen, anders zouden ze zo’n geflatteerd beeld van de mensheid krijgen.

De conducteur ging in de buurt van oma zitten en Glenn voegde zich weer bij hem om spoorwegkennis uit te wisselen. Zo bereikten ze toch nog Amsterdam.

„Ik zie een papegaai”, zei Glenn toen oma uitverteld was. Hij stelde het droogjes vast, alsof het een onbelangrijk feit betrof. En dat wás het ook, want Elvis gaf nog steeds geen sjoege. Eén keer daalde hij slaapdronken af om wat te knabbelen, daarna sufte hij weer verder, zelfs toen de ober hem plagend tegen zijn snavel tikte.

„We gaan maar”, zei oma.

Ik besefte dat ik als reisleider een trieste achterstand had opgelopen, die ik de rest van het weekend niet meer ongedaan kon maken.