Dat ene puzzelstukje blijft altijd achterwege

Al in zijn vorige bundels ontmaskerde Alfred Schaffer de taal als ideologisch middel, schrijft Yra van Dijk. ‘Bijvoorbeeld met de mooie ready-made uit Schuim (net als Kooi voor de VSB-prijs genomineerd). In zinnen die geplukt waren van www.nederlandtegenterrorisme.nl ontmaskerde Schaffer daarin het veiligheidsdiscours. Het bleek eerder angstzaaiend dan geruststellend. Ook in Kooi (Bezige Bij, € 16,50) stuiten we op de paradox dat hoe meer ons wordt verzekerd dat we niets te vrezen hebben, hoe groter het gevoel van onveiligheid. Want de sfeer is ronduit dreigend bij Schaffer. Hoewel het nergens erg concreet wordt, zijn er oorlogsmisdaden, veteranen, brandende tanks en slagvelden. Grimmig is de toon: „Wat doe je hier nog, en wat is er gebeurd met je gezicht?” Of: „Wie weet is er nog hoop, net als jij/ heb ik geen liefde nodig”. Mooi kan je het niet noemen. Schaffer schrijft prozaïsche poëzie, in telegramstijl soms. Bovendien verschaft hij consequent altijd nét te weinig informatie, zodat de lezer het gevoel heeft dat er maar één puzzelstukje mist en dan zou alles op zijn plek vallen. Dat puzzelstukje krijgen we nooit te pakken.’