Auto?s terug uit Tsjechië

Wat in Europa begon als een uit Amerika overgewaaide kredietcrisis neemt steeds meer de contouren van een politieke crisis aan. Nu de financiële malaise is uitgemond in een veel bredere economische recessie, blijkt dat de Europese Unie cohesie en weerstandsvermogen ontbeert.

De divergentie manifesteert zich in schermutselingen waarbij president Sarkozy van Frankrijk een hoofdrol speelt. De Franse regeringsleider, die vorig jaar als een wervelwind leiding gaf aan de EU, zette eerst zijn Britse collega Brown te kijk als de premier van een land dat niets anders produceert dan financiële rommel. Vervolgens deed hij een beroep op de autofabrikanten Renault en Peugeot/Citroën, die van hem 6 miljard subsidie krijgen in de vorm van goedkope leningen, om hun filialen in Tsjechië en Slowakije te repatriëren.

Premier Topolánek van Tsjechië, tot de zomer voorzitter van de Europese Raad, was furieus. Het appèl van Sarkozy raakt Tsjechië, waar jaarlijks meer personenauto’s worden gemaakt dan in Italië, in het hart. Topolánek dreigde terug met de opmerking dat Sarkozy wat dom was om Tsjechië, dat het Verdrag van Lissabon nog moet ratificeren, te schofferen. Slowakije op zijn beurt kondigde directe represailles aan tegen Gaz de France als Peugeot inderdaad uit Trnava vertrekt. Woensdag besloot Topolánek, die door Sarkozy tot nu toe is weggezet als juniorleider in het grote Europa, de verstandigste van het stel te zijn en een punt te zetten achter de verbale barrage.

Maar daarmee is het gevaar voor verdere versnippering van de EU niet geweken. Vakbonden nemen het stokje intussen over. In Groot-Brittannië is al gestaakt tegen werknemers uit armere landen. In Engeland hebben cao’s geen algemene werking. Het vrije verkeer van personen ondermijnt daar dus de positie van de vakbeweging. Het is het zoveelste bewijs dat ‘proletariërs aller landen verenigt u’ een illusie is.

Deze neiging tot particularisme binnen de EU is zo zorgwekkend omdat sociaal-economisch nationalisme de basis ervan aantast. Het Europese idee is, vanaf de eerste kolen- en staalgemeenschap, in de kern een antiprotectionistisch project, bedoeld om de noodlottige erfenis van de eerste helft van de twintigste eeuw te keren. De nationale staten gunden Europa daarvoor meestal de tijd. In de jaren zeventig/tachtig is zo de industriële crisis, met name in de staalsector, in goede banen geleid. Nu lijkt het geduld sneller op.

Topolánek onderkent dit gevaar. Voor 1 maart heeft hij daarom in Brussel een economisch topberaad uitgeschreven, in mei gevolgd door een tweede top over werkgelegenheid. Formeel staat zo het gezamenlijk crisisbeleid op de agenda. Maar feitelijk is ook de cohesie van de EU aan de orde.

Het gemis van een constituerend verdrag dat de verhoudingen tussen de lidstaten regelt, doet zich nu pijnlijk voelen. Er is dringend behoefte aan een politiek initiatief dat het Verdrag van Lissabon kan vlottrekken. De grote landen zijn daartoe momenteel niet in staat, gefixeerd als ze op zichzelf zijn. Misschien ligt hier een opening voor de kleinere naties.