Was Michael Haneke maar wat eerder klaar geweest

Te veel films op de Berlinale lieten onverschillig. Het ontbrak aan grote premières. Toch waren er positieve uitschieters, zoals Mammoth, over de effecten van globalisering.

Er waren dit jaar minder gesponsorde glamourfeestjes dan in andere jaren. En in de vakpers verschenen berichten dat filmbedrijven zich beter willen gaan weren tegen wanbetalers. De kredietcrisis bereikte zo de 59ste editie van het filmfestival van Berlijn, dat vanavond wordt afgesloten met de uitreiking van de Gouden Beren. Voor de films zelf is de kredietcrisis nog te vers; het zal nog even duren voordat de crisis ook op het bioscoopscherm te zien zal zijn.

De documentaire die het dichtst raakte aan de actualiteit was The Shock Doctrine van de Britse co-regisseurs Michael Winterbottom en Mat Whitecross, naar de gelijknamige bestseller van de Canadese auteur Naomi Klein. De filmmakers vertellen braaf na wat Klein in haar boek beweert: dat het zogenoemde ‘rampenkapitalisme’, geïnspireerd op het gedachtegoed van de econoom Milton Friedman, oorlogen en andere crises gebruikt om een radicale vrije marktideologie door te voeren. Crises zijn dus niet zozeer een uitwas, maar juist goed voor het kapitalisme. Zelfs de rampzalige oorlog in Irak is een uitgelezen kans om middels ‘shocks’ een vrije markt door te duwen.

De kredietcrisis maakt korte metten met de theorie: van de huidige crisis valt onmogelijk te zeggen dat het marktfundamentalisme erdoor is versterkt, al heeft Klein een punt dat de problemen voor een deel zijn toe te schrijven aan doorgeschoten geloof in deregulering. Maar of echt sprake is van opzet, en of echt àlles wat er in de afgelopen veertig jaar is misgegaan, valt toe te schrijven aan het perfide monetarisme, mag toch worden betwijfeld, hoeveel ‘schokkende’ beelden van oorlog en andere rampspoed de filmmakers ook op een rij hebben gezet.

Te veel films riepen op deze editie van de Berlinale onverschilligheid op: niet slecht, ook niet heel goed, snel kijken wat de volgende film op het programma is. Cannes verwacht komende mei premières van onder meer Michael Haneke, Pedro Almodóvar en Quentin Tarantino. Berlinale-baas Dieter Kosslick heeft geen van deze kanonnen ervan weten te overtuigen een beetje door te werken en hun films al in Berlijn in première te laten gaan. De kloof tussen het belangrijkste filmfestival van de wereld, Cannes, en de twee festivals die altijd strijd leveren om de tweede en derde plaats, Berlijn en Venetië, wordt zo wel heel erg groot.

Toch waren er lichtpuntjes. Dat oude meesters nog steeds vitale films kunnen maken, ook met een film over de dood, bewijst de Poolse regisseur Andrzej Wajda, met zijn sombere, maar knappe Tatarak: over een actrice (Krystyna Janda) die in haar leven en de film waarin ze speelt, te maken krijgt met ziekte en verlies.

In de categorie van kleinschalig opgezette auteurscinema waren in Berlijn nog de meeste redelijke films te zien: Darbarye Elly (‘Over Elly’) ontrafelt op een knappe manier de dynamiek tussen mannen en vrouwen in een Iraanse vriendengroep, die een weekend naar zee gaat en die uit elkaar valt als een van de vrouwen verdwijnt. Regisseur Asghar Farhadi neemt er alleen veel te veel tijd voor.

De Britse debutant Peter Strickland heeft met Katalin Varga een fraai gefotografeerd wraakdrama gemaakt, over een vrouw op het Roemeense platteland die besluit de mannen die haar ooit hebben verkracht mores te leren.

De aandoening van de heldin Fausta in het mooie La Teta Asusta van Claudia Llosa uit Peru valt ook niet licht te vergeten. Ze heeft als meisje een aardappel in haar vagina ingebracht, die haar moest beschermen tegen verkrachters tijdens de burgeroorlog in haar land. De aardappel is gaan ontspruiten en moet chirurgisch worden verwijderd. Het onderwerp verkrachting keert opnieuw terug in het verantwoorde, maar ook voorspelbare Sturm van de Duitse regisseur Hans-Christian Schmid. De film gaat over een officier van justitie bij het Joegoslaviëtribunaal, die zich vastbijt in een verkrachtingzaak.

Verantwoord en meer dan een tikkeltje saai was ook London River van de Franse regisseur Rachid Bouchared, die niettemin hier en daar is bestempeld tot een favoriet voor de Gouden Beer. De film gaat over een islamitische vader uit Frankrijk (Sotigui Kouyaté) en een protestantse moeder uit Engeland (Brenda Blethyn). Beiden zijn op zoek naar hun inmiddels volwassen kind, dat wordt vermist na de terreuraanslagen op de Londense metro in 2005. Ze blijken, o wonder, als bezorgde ouders veel vergelijkbare gevoelens te hebben en naar elkaar toe te groeien. Maar misschien is die reactie te cynisch, voor een film die bij de perspremière warm applaus kreeg.

Het tegenovergestelde onthaal kreeg het met woest boegeroep ontvangen Mammoth van de Zweedse regisseur Lukas Moodysson: een globaliseringsdrama over de met elkaar verweven, gelijktijdige lotgevallen van twee gezinnen op verschillende continenten, met hoofdrollen voor Gael García Bernal en Michelle Williams.

Moodysson stelt goede vragen. Het lijkt misschien zo dat de wereld door globalisering kleiner wordt en mensen meer bij elkaar betrokken, maar is dat wel echt zo? Is de emotionele kloof tussen al die wereldburgers niet net zo groot als voorheen, hoezeer we ook economisch en in het dagelijks leven met elkaar verweven zijn geraakt? Voor arme landen betekent globalisering vooral dat families uiteenvallen en over de hele wereld verspreid raken, op zoek naar werk.

De film is vernoemd naar een heel dure pen, waarin stukjes mammoetbeen zijn verwerkt. Dat is misschien geen vondst die meteen heel visueel en filmisch uitpakt, al is het prettig dat de kijker dit krankzinnige schrijfgerei ook te zien krijgt. Maar het is wel een prachtig symbool van hedendaagse idiotie, in een uitdagende film die ook nog een hart heeft. Laat Mammoth vanavond dus maar de Gouden Beer krijgen.