Vorden - Ruurlo

Spatten tikken in het slik. De hemel laat het licht maar voor de helft door. Ochtendschemer zal de hele dag de velden, de akkers, de Hans & Grietje-hoeves met hun roodwitte luiken en de rest van het landschap blijven bepalen. Zo’n nevelstemming schept dromen in het landschap. De opvliegende kraaien zijn vliegtuigjes van krantenpapier. Die torenspits aan de horizon tussen de winterse bomen is eigenlijk een kabouterpuntmuts.

De spatten worden regen. De sfeer wordt loom. Loom is niet altijd warm of zwoel, vandaag is loom koud. Druppels trekken cirkels in de sloot. De weg heet dijk, maar het is een zandpad. Het graaft zich recht als een spoorlijn tussen de bomen door. Klimop praktiseert bondage, wellustig heeft het stammen en takken ingesnoerd. Het geel van een stroveld duikt stralend uit de nevel op, en ook die eenzame breedgekruinde boom in een weiland komt, naar het lijkt, naar voren dankzij de damp die het achterliggende land wat verdoezelt.

De regen wordt sneeuw. Weifelende vlokken sukkelen neer op een perceel uitgeschoten boerenkool. Man maakt zich zorgen: „Wat doet die daar nog? De vorst is er allang overheen geweest.” Vervolgens gaat hij kort in fluistergesprek met een paard dat van de andere kant van de wei naar hem toe is komen lopen.

Nu ja, sneeuw. Dit zijn geen vlokken maar kledderige druppels. De kledderdruppels razen recht omlaag, in een bui van smeltend ijs. Ze spannen snaren boven het grasland en hangen kralengordijnen tussen de sparrestammen. Ik denk: „Frans van der Steg’’. Want we passeren de zevensprong rond de bult met bomen uit het boek van Tonke Dragt dat ik als kind zeker zes keer las.

De ijsbui is weg. Vreemd dat het moment dat een bui ermee ophoudt zich nooit laat opmerken; pas als de neerslag weg is valt het op.

Vanaf een veld waar volgens een bordje politiehonden worden getraind huppelen twee Mechelse herderpups achter hun moeder aan. Terwijl ik de zwarte neuzen aai vertelt hun bazin over hun training. En ook dat er zo weinig vrouwen in deze branche actief zijn en hoe jammer dat is, want ze leveren goede honden af. „Vrouwen maken een hond niet zo klein”, legt ze uit. Trots wijst ze naar de moederhond. Haar training, een jaar lang, zit er bijna op. „Ze gaat naar de luchtmacht.’’ Zal ze haar missen? Tsja. Nee. Zo werkt dat niet. Maar de allereerste hond die ze, zeven jaar geleden, trainde, krijgt ze terug als die met pensioen gaat. Dat heeft ze zo afgesproken.

13 km. Kaarten 49-51 uit: Trekvogelpad. Uitg. Nivon, 2003. Tussen Ruurlo en Vorden rijdt elk half uur een trein.