Uit maar niet over

Oud-politicus Roel van Duijn (65) is liefdesverdrietconsulent. Enige wenken ter gelegenheid van Valentijnsdag.

Regelmatig komen er mensen met zwaar liefdesverdriet bij mij, die zich door psychiaters en psychologen onvoldoende serieus genomen voelen. Kennelijk ontbreekt het deze therapeuten aan kennis over liefdesverdriet.

Voor de slachtoffers van liefdesverdriet wil ik graag een aanzet geven tot een nieuwe wetenschap omtrent deze pijn, die niet zelden de vorm van een ziekte aanneemt. Mijn inzichten zijn gebaseerd op mijn ervaring en op dagelijkse gesprekken met aan liefdesverdriet lijdende mensen.

Drie graden van liefdesverdriet zijn er, volgens mij, zoals er ook drie graden van brandwonden bestaan.

Eerstegraads liefdesverdriet is een normaal en gezond verschijnsel bij een ongewenste breuk in een liefdesrelatie. Zelfs als je het zelf ‘uit’ gemaakt hebt, overvalt je daarbij, naast opluchting, toch ook een gevoel van weemoed of spijt: dat het niet zo gelopen is als je gehoopt had. Ondanks de gebreken van de ander, mis je die.

Als de ander de relatie beëindigt, voel je protest, span je je in om de ander te overtuigen toch met je door te gaan. Als dat niet lukt, komt het verdriet. Ook een normaal verschijnsel. Want wie op dat moment géén verdriet voelt, heeft niet echt van de ander gehouden.

Het is een bekende ervaring, die korter of langer kan duren. Hoe lang precies, is niet door de natuur voorgeschreven. Een lang huwelijk kan na een scheiding gevolgd worden door een korte periode van pijn, terwijl een relatie van een paar maanden soms gevolgd wordt door jaren van kruipend verdriet.

Zoals een eerstegraads brandwond herkenbaar is aan een rode, droge pijnplek, zo kenmerkt eerstegraads liefdesverdriet zich door limitering van de pijn en de emoties. Wie aan dit gezonde liefdesverdriet lijdt, ziet na het doven van het verdriet een glimp licht aan het einde van de tunnel en hij of zij voelt een keuze naderen: ophouden met rouwen of niet? De vrijheid om te kiezen wordt groter, meestal met het stijgen van de verontwaardiging en het ontwaken van woede over wat de partner misdaan heeft. Op een dag besluit hij of zij dat het gedaan is met het verdriet. En zo’n persoon kiest voor een nieuw hoofdstuk in het leven, met uitzicht op nieuwe liefde. Hij geneest zichzelf.

Tweedegraads liefdesverdriet is beklemmender. De verbrande, rode plek, die men dichtbij het hart voelt, blijft pijn doen. Daaronder lijkt zich een bel met tranen te bevinden. De ‘patiënt’ moet constant aan de ‘geamputeerde’ ex denken. Hij lijdt aan fantoompijn.

De symptomen zijn dezelfde als die van eerstegraads liefdesverdriet: slecht slapen, geen hap door de keel krijgen of juist proppen en zuipen, slechte concentratie, pijn op diverse plaatsen in het lichaam. Niet in de laatste plaats ‘in het hart’.

Maar nu verminderen de symptomen niet. Het verdriet achtervolgt de patiënt en wordt een obsessie. Hij kan over niets anders spreken dan over de verloren verhouding. Hoop, die vals is, wijkt niet. De patiënt voelt woede, maar onderdrukt die en richt hem naar binnen. Onder z’n aanhoudende zelfverwijten dreigt de patiënt te bezwijken. Hij raakt in een depressie.

Waarom uit de patiënt z’n woede niet? Hij bijt zich vast in de waan dat echte liefde geen woede toelaat. Bovendien vreest hij, ten onrechte, dat een flinke woedeaanval de ex ervan zal weerhouden om terug te komen.

In tegenstelling tot het eerstegraads liefdesverdriet is er geen grens aan dit lijden. Het adagium dat de tijd slijt, blijkt niet op te gaan. Het terugverlangen naar de ex blijft tranen produceren. Tranen: zoals een tweedegraads brandwond opvalt door veel vocht. Verbijsterd wil hij begrijpen wat de ander bezield heeft om hem te dumpen.

De vraag is waarom een tweedegraads patiënt geen vrijheid heeft om het verdriet opzij te zetten. Daar zijn twee redenen voor. Hij ziet zijn ex als de door het lot uitverkoren ware. Waarom, vraagt hij zich af, zou de pijn er zijn als de verdwenen partner en hij niet voor elkaar bestemd zijn?

De tweede reden is de onbewuste angst dat het verdwijnen van de pijn de patiënt zou beroven van zijn laatste, tastbare bewijs dat de relatie met de verloren ex nog bestaat. Dankzij de pijn heeft hij nog iets met zijn ex. Het is zelfbedrog.

De patiënt zet de ander op een troon, koestert de pijn en geeft zich aan de verslaving aan de ex over. Met trots kan de patiënt verklaren dat de ander de relatie tijdelijk verraden heeft, maar dat hijzelf de vlag van de liefde hoog houdt en uiteindelijk de relatie van de ondergang zal redden. De drager van de smart voelt zich anders dan al die mensen die maar vrolijk van de een naar de ander overstappen. Zíjn zielsverwant is uniek en niet inwisselbaar.

Zulke mensen bezoeken psychologen of psychiaters, maar komen daar vaak teleurgesteld vandaan. Hun therapeuten hebben vergeefs gezocht naar de traumata die de pijn kunnen verklaren. Zij noemen het probleem ‘PTSS’ (post-traumatische stress-stoornis). ‘Liefdesverdriet’ is geen wetenschappelijke term.

Als de teleurgestelde tweedegraads patiënten vervolgens bij mij komen, raad ik hen meestal aan om afscheid te nemen van hun ex. Waarom nog wachten op iemand die afscheid van jou genomen heeft, vraag ik hun. Waarom houd je van een kwelgeest? Het is zinloos om naar een telefoontje of sms’je van de ex te blijven snakken.

Ongelukkigerwijs ligt het in de aard van veel exen om de verstoten partner in zo’n situatie te troosten door te beweren dat hij of zij echt wel van de terugverlangende ander blijft houden, ‘alleen zonder die speciale drang’. Dat dit niets meer betekent dan dat die ex nog steeds van appeltaart houdt, ontgaat de patiënt. Hij klampt zich gretig vast aan zulke loze uitspraken en wil van afscheid nemen niet horen.

Hij blijft zich van uur tot uur afvragen waarom de verloren geliefde niet spoorslags terugkeert. Hij verzint duizend excuses en verklaringen voor de ex. Hij neigt ertoe de geliefde te stalken. De patiënt vereenzaamt, want er zijn maar weinig mensen die zijn geobsedeerde beschouwingen over de ex interessant blijven vinden. De tweedegraads patiënt bungelt. Aan een ingebeeld draadje dat hem nog steeds aan de ex verbindt.

In het beste geval kan de bungelende patiënt met zijn lot leven door de ex te beschouwen als het pincet waarmee hij zijn eigen ziel ontleedt. Misschien voelt hij zich daarbij de speciale prooi van een speciale liefdesgod. En ontdekt hij daarbij een eigen emotioneel masochisme. Maar meestal, is mijn ervaring, ontdekt hij dat niet, omdat hij simpelweg geen vrijheid voelt om níét te bungelen.

De beste therapie bestaat volgens mij uit een serie gesprekken, het maken van een dagboek en het opschrijven van de liefdesgeschiedenis in de vorm van een verhaal. Belangrijk is dat de patiënt zich door herinneringen en gevoelens realiseert waarom zich deze geschiedenis in zijn leven heeft afgespeeld en wat hij daarvan leren kan. Ook nieuwe initiatieven, hobby’s, reizen, misschien beroepsverandering, genezen. Dit alles gericht op afscheid en het loslaten van de verslaving aan het spook van de verdwenen relatie.

De derdegraads ‘ldvd’-patiënt lijdt niet alleen aan ongezond liefdesverdriet, maar ook aan een ander, depressief makend probleem. Het gaat om mensen die in hun jeugd zijn verkracht, een communicatiestoornis of een uitgesproken zwakke wil hebben. Andere verslavingen, zoals aan drugs en alcohol, vermengen zich met de relatieverslaving. Hier schroeit de liefdesbrand het diepst onder de huid.

De derdegraads patiënt heeft alle bekende symptomen van intens liefdesverdriet, maar ermee leven kan hij amper. Er is niet alleen het voortdurende gevoel een aan de straat gezette vuilniszak te zijn, maar er is een totale vertwijfeling over de zin van het bestaan-zonder-ex. Koortsachtige visoenen, waarin de verdwenen schat plotseling weer opduikt, wisselen af met zelfkastijding. Zoals de derdegraads brandwond pijnloos en zonder rode blaar is, zó voelt ook deze liefdeszieke soms weinig pijn. Omdat die het gewone gevoel geworden is. Hij heeft een dof, troosteloos gevoel, dat geregeld opgeschrikt wordt door invallende beelden van het verloren spook.

Deze mensen doen een aanval op hun eigen hart. Een cardioloog aan de Universiteit van Baltimore, Wittstein, heeft onderzoek gedaan naar patiënten die lijden aan hartaanvallen, die gekenmerkt worden doordat er een hevige emotionele schok aan vooraf ging, zoals liefdesverdriet. Een klemmende pijn op de borst, kortademigheid en een hartspier die de kracht ontbeert om het bloed goed rond te pompen. Deze patiënten lijden aan een broken heart syndrome, is de conclusie van deze cardioloog. Cardiologe Petra Kuijpers van de Universiteit van Maastricht meldt dat hartaanvallen in een kwart van de gevallen hun oorsprong vinden in een mentaal lijden, zoals depressie of liefdesverdriet.

De therapie bestaat ook nu uit gesprekken en het stimuleren van nieuwe initiatieven, al zal dat vaak moeilijk zijn. Maar niet alleen gericht op afscheid nemen en de geliefde loslaten, maar ook op het herwinnen van de levenswil. Een ingrijpende psychotherapie is nodig, waarbij aanvankelijk het liefdesverdriet centraal staat, maar geleidelijk de persoon van de patiënt zelf.

Welke universiteit zal als eerste eindelijk een leerstoel voor liefdesverdriet instellen?