Column

Sneeuwprietpret

Hij kijkt zacht voor zich uit op het terras van het wintersporthotel en denkt: Was ik bij de grens maar geweigerd en op het eerste het beste vliegtuig terug naar Nederland gezet! Dan zat ik nu niet in deze hel.

Onderhand aanschouwt hij het gebazel van de moeders, die al lebberend aan hun cappuccino afspraken met hun puberende kroost trachten te maken. Hoe laat waar geluncht wordt en wie met wie welke afdaling neemt. Er trekt een kudde gewatteerd nylon langs. Op naar de ruftende rijen voor de kassa’s, de skiverhuur, de liften en de selfservicebalies van de houten vreetschuren. Rijen, rijen en nog eens rijen. Hij bekijkt het spul en wordt overvallen door een raar soort medelijden. Of is het minachting?
Ooit skiede hij zelf ook. Skiën is niet het goede woord. Hij stortte als een blinde, spastische en dronken kamikaze wanhopig van de lichtblauwe pistes naar beneden. Na de eerste dag had hij al een been gebroken. Niet zijn eigen been, maar het been van een Zwitserse mevrouw, die heel braaf bij een stoeltjeslift stond te wachten. Kermend werd ze afgevoerd op een zogenaamde banaan. ‘s Avonds relativeerde hij het ongelukje door aan zijn gezin uit te leggen dat Zwitserland een van de saaiste landen ter wereld is en dat de inwoners tijdens hun leven zelden iets spannends meemaken. Dus was het gebroken been voor deze mevrouw eigenlijk een verademing, een welkome onderbreking van haar snurkende bestaan. Het jaar daarop had hij een tweede poging op de latten gedaan, maar toen werd hij op een ijzige helling zelf uit zijn skischoenen geragd door een klasje Franse snowboarders. Een blauw oog en twee zwaar gekneusde ribben was de schade.
„Lach er maar om”, zei zijn vrouw ‘s avonds in bed, waarop hij haar uitlegde dat dat met gekneusde ribben niet echt prettig is. Het betekende het definitieve einde van zijn skicarrière.

Hij gaat nu alleen nog mee om te koken. En om te betalen. Dat laatste doet hij meer dan het eerste. Ieder jaar trilt zijn creditcard tot ver in juni nog in zijn portefeuille.

Wat hem nog het meest tegenstaat is de toon van het bont gekleurde wintersportvolkje. De air waarmee ze babbelen. In zo’n raar skipak voelen ze zich op de een of andere manier heel wat, maar hij kijkt altijd dwars door die skibrillen heen. Ook wel weer aandoenlijk die gekleurde overmoed van die iets te hard pratende nitwitten.

Het circus is niet aan hem besteed. Zeker de lol er omheen niet. Vorig jaar moest hij van zijn kinderen een keer mee naar een après-skitent en voor hij het wist keek hij naar een paar honderd lallende Engelsen, die met bezweet en ontbloot bovenlijf op de bar stonden te krijsen. En iedereen vond het leuk.

„Die gekke Engelsen”, hoorde hij steeds en zag louter vieze mannen die hun opgespaarde kantoorfrustraties van zich af stonden te balken.

Ook dit jaar kijkt hij goed. Twee negers heeft hij tot nu toe geteld. Een meer dan vorig jaar. Verder is het volk wit. Heel erg wit. God wat zijn ze allemaal wit. Het lijkt wel verplicht.

„Kijk je goed?”, vraagt hij aan een kakker.
„Wat bedoelt u?”, reageert de man.
„Je moet goed kijken, heel goed kijken, echt ontzettend goed kijken. Naar de sneeuw, de zon, het stadje, de mensen, de Volvo’s, de terrassen, de supermarkt, de kroegen, de onbetaalbare disco. Prent het allemaal heel goed in die bruine kop van je!”
„Hoezo?”, vraagt de man.
„Omdat het voorlopig de laatste keer is dat je dit ziet. Volgend jaar is het namelijk uit met de sneeuwpret. Dan ben je ontslagen, failliet of allebei. Het is crisis weet je nog? Dus heel goed kijken!”
„U bent toch die grappenmaker?”, lacht de kakker tegen de man.
„Normaal wel”, zegt de man, „maar vandaag even niet! Daar moet je volgend jaar nog maar eens aan denken!”

Hierna dagdroomt hij van een volkomen lege piste, waar hij helemaal alleen zonnig vanaf zwiert. Nog één jaartje wachten.