Sinds Obama zijn blanken niet langer de norm maar een etnische groep

Lang gold dat ‘blank’ op tv garant stond voor objectiviteit maar sinds Amerika een Bruine Regisseur heeft gekozen, is dat beeld veranderd.

Columnist van Vrij Nederland en co-presentator van Met het oog op morgen (NOS, radio 1).

Twee bruine mannen in gesprek, zag ik, toen ik opkeek van de loopband in de sportschool waar ik, met een sukkeldrafje van negen kilometer per uur geen moeite had de beelden te volgen: het scherm was strategisch opgesteld, recht tegenover mij. Zo kon ik aan mijn cardioverplichtingen voldoen en hoefde me toch niet godsgruwelijk te vervelen.

Ik deed mijn oortjes in en kon nu horen wat die talking heads beweerden. Er was eigenlijk sprake van een interview, de ene ondervroeg de andere, maar dat gebeurde zo hoffelijk, ja bijna amicaal, dat het klonk als een uitwisseling van ideeën. De man die voor interviewer speelde was Fareed Zakaria, de Indiaas-Amerikaanse schrijver, journalist en ook tv-gastheer. Sinds juni heeft hij zijn eigen programma over internationale politiek op CNN. G.P.S heet het (Global Public Square), en vanuit een ontzagwekkende gelijkwaardigheid praat hij daar met de groten der aarde.

De man die ondervraagd werd, was Barack Obama, introductie verder overbodig. Die twee zijn ongeveer van dezelfde leeftijd, allebei well groomed, zoals dat zo beeldend heet in het Engels, en allebei, op een niet-klassieke manier ‘knap’. Met niet-klassiek bedoel ik dat ik niet zeker weet of ze meteen als fotomodel geselecteerd zouden worden, maar als tv-kijker ben je ogenblikkelijk aangenaam getroffen. Achteraf realiseerde ik mij dat hier twee ex-Harvardmannen aan het woord waren, en nog weer later begreep ik dat er zelfs sprake van is geweest dat Fareed Zakaria minister zou worden in Obama’s nieuwe regeringsteam. Die twee moeten elkaar vaker hebben ontmoet. Maar dat wist ik toen nog niet, al werd meteen duidelijk dat er sprake was van wederzijdse sympathie. En terwijl ik iets harder begon te rennen (11 of 12 kilometer per uur, nog steeds geen topsnelheid), besefte ik dat ik iets miste, dat er iets ontbrak aan dit beeld. Ik kon er niet meteen mijn vinger opleggen.

Later, in de kleedkamer, schoot het me te binnen, en ik schaamde me. Laten we het voorlopig even wijten aan dat harde lopen op zo’n band waarop niemand vooruitkomt. Maar wat ik gemist had was een blanke man of vrouw, die de taken verdeelde; een blanke anchorman die de bruine mannen een voor een en heel beleefd aan het woord liet. Kortom, ik betrapte mijzelf op het gemis aan een Blanke Regisseur.

Dat vond en vind ik nog steeds pijnlijk, omdat ik zelf behoor tot die brede kleurcategorie, die loopt van niet-blank tot bruin, waartoe ook Zakaria en Obama gerekend worden. Ik was dus naarstig op zoek geweest naar een Twan Huys of Paul Witteman, terwijl ik nota bene getrakteerd werd op Zakaria en Obama.

Raciale zelfhaat? Het kan, je weet zoiets nooit zeker, maar ik heb het verwijt van ‘zelfhaat’ altijd een zwaktebod gevonden, omdat daarmee elke dissidente joodse of zwarte stem wordt afgeserveerd. Ik denk eerder dat ik last had van de macht der gewoonte.

In Amerika zijn al decennialang bruine en zwarte tv-helden aanwezig, ze spelen in komedies, hebben daarin zelfs de hoofdrol, ze presenteren het journaal en soms, als ze een hele serieuze bril dragen, becommentariëren ze de beurskoersen. In Nederland is dat veel later op gang gekomen, om begrijpelijke, historische redenen. Er is veel veranderd, we hebben Prem en Jörgen en voor de sport natuurlijk Humberto. Ze zijn zo bekend dat achternamen achterwege kunnen blijven.

Maar toch: veel variatie in garnituur, die soms zeer smakelijk kan zijn, weinig verandering in het hoofdgerecht.

Want dít hebben we niet: een bruine man of vrouw met het gezag van Koos Postema destijds of Boebie Brugsma, die als vanzelfsprekend het intellectuele intermediair vormt tussen de wereld en de kijkers. Noraly Beyer die Wouter Bos een kwartier lang interviewt. (Het blijft jammer dat ze afscheid heeft genomen). Of, Noraly Beyer die de directeur van het Amsterdamse Slotervaartziekenhuis, de Turks-Nederlandse Aysel Erbudak eens flink onder handen neemt.

Dit is niet per se een pleidooi voor meer bruine of zwarte mensen op de Nederlandse tv. Daar is niets tegen, maar op zichzelf ook weinig voor. Het hangt natuurlijk van het talent van die mensen af of je ernaar wilt kijken, en met een gekleurde presentator hoef je in het geheel niet verzekerd te zijn van een interessante uitzending. Het zijn wat dat betreft net blanken.

Ik stel mijzelf alleen de vraag: hoe komt het dat ook ik het gezaghebbende gezicht meteen met blank associeer, als in het Engelse ‘blank’, blanco, oningevuld, neutraal.

Geboren en getogen in Nederland, staat blank op televisie voor mij kennelijk voor objectiviteit – zo iemand heeft zich als het ware aan het etnische geharrewar onttrokken. Zo iemand is de onpartijdige scheidsrechter. (Trouwens, hoeveel gekleurde strafrechters kennen we eigenlijk in Nederland).

Er is ontieglijk veel over Obama’s verkiezing tot Amerikaanse president geschreven, en bijna nooit werd daarbij het kleuraspect gemist. Maar wat ik veel te weinig heb gelezen, is hoe de Amerikaanse bevolking er psychologisch in is geslaagd om het beeld van de natie, en dus van zichzelf, van kleur te laten veranderen. Uncle Sam is nu bruin, iemand die met alle recht en reden een Afro-Amerikaan genoemd kan worden, terwijl het merendeel van de bevolking dat niet is. Ik hoef nu niet alle talenten van Obama op te sommen, en ik durf ook al de misstappen te voorspellen die hij beslist nog zal begaan. Maar Amerika heeft het aangedurfd bij meerderheid te kiezen voor een Bruine Regisseur. Als boegbeeld. Als hoogste, meest representatieve instantie. Ik moet dus vrezen dat ik wat dat betreft nog wat kan leren van de blanke kiezers uit Iowa die Obama aan zijn zege bij de Democratische voorverkiezingen hielpen.

Sommige naties hebben zichzelf samengevat in een gezicht. Voor Frankrijk is dat ‘Marianne’, het vrouwelijke icoon dat voor het hele land staat. Die feminiene zijde, die Frankrijk zo openlijk laat zien, is intrigerend, ook al kan ongeveer de helft van de bevolking – want vrouw – zich letterlijk met haar identificeren. Maar Amerika heeft zijn gezicht zodanig van kleur laten veranderen dat de president niet de meest waarschijnlijke vader, oom of neef is van al die blanke, enthousiaste kiezers die uiteindelijk Obama’s lot hebben bezegeld.

Andrew Sullivan, de Britse commentator die het tot zijn plicht heeft gemaakt het Amerikaanse politieke leven als een bloedhond te achtervolgen, schreef in een artikel dat in oktober in deze krant stond: „Met Obama’s verkiezing is een einde gekomen aan de ‘identiteitspolitiek’ die links Amerika in de jaren 80 en 90 zo hartstochtelijk heeft omhelsd.” Dat is een paradoxale stelling, omdat Obama juist de eerste, niet-blanke president is, en dus als onderdeel kan worden gezien van diezelfde politics of identity waartegen Sullivan zich zo keert. Bruin, zwart, hispanic, gay – dat waren, zeker voor de academische pc-generatie heuse troeven die konden worden uitgespeeld. Jesse Jackson, die huilend de inauguratie van de veel jongere Obama bijwoonde, was in zijn jongere jaren eenduidig zwart. Dat was zijn claim to fame in 1988, toen hij – net als in 1984 – tevergeefs een gooi deed naar de Democratische nominatie voor de presidentsverkiezingen , en tegelijkertijd een manier om emotionele chantage te plegen. Kies je niet voor mij, kies je voor één van de andere kandidaten, dan heb je zeker moeite met mijn kleur. Elke niet-stem op Jackson wist hij de suggestie mee te geven van racisme.

Obama heeft dat nooit gedaan, integendeel, hij heeft zelfs letterlijk zijn kiezers aanbevolen niet op hem te stemmen omdat ie toevallig een Afro-Amerikaan is. De ‘kleurkaart’ bleef in zijn mouw, ook toen het erom spande, en er misschien winst mee te behalen viel.

Terecht constateerde Sullivan dat het nu Republikeins rechts was dat met Sarah Palin de onderbuik van de identiteit probeerde te beroeren. Want vrouw, en toch geen feministe, want blank en vooral, heel erg echt Amerikaans, homegrown. Authentieker kon je het in middle America niet vinden. (Ze moesten er dan ook voor naar Alaska).

Toch denk ik dat Sullivan’s stelling, hoe aantrekkelijk ook, maar gedeeltelijk op gaat. Etniciteit en identiteit spelen nog steeds een rol en ik denk dat die rol alleen maar groter wordt, omdat blanken zich voor het eerst van hun Amerikaanse leven moeten realiseren dat zijzelf niet buiten schot blijven; dat ze zelf een ‘etniciteit’ vertegenwoordigen. In het Zuid-Afrika van na de apartheid, met Mandela aan de macht, was dat precies wat blanke Zuid-Afrikanen overkwam. Zij waren de toetssteen der dingen geweest, en nu werden ze ineens een minderheid. Een relatief kleine, etnische minderheid zelfs.

De situatie in Amerika is anders, hier koos juist de meerderheid voor een ‘minderheidspresident’, maar iedere keer wanneer een blanke Amerikaanse burger zijn president ziet optreden, zal er iets verloren gaan van de vanzelfsprekendheid van zijn blankheid.

Blank is niet oningevuld, neutraal, het juiste midden. Blank is een uitgesproken kleur.

Ik denk weleens dat Ralph Ellison, zich heeft vergist in de titel van zijn meesterlijke boek Invisible Man, over de onzichtbaarheid van ‘de neger’ in de jaren 50. Ja, de neger werd over het hoofd gezien, maar nam zijn eigen verschijning des te scherper waar. De echte ‘invisibles’ waren de blanken, die zichzelf hooguit als observator of camera konden zien. Vergelijk het met de ouderwetse antropoloog, die tal van volkeren en stammen heeft bestudeerd, zonder ooit een blik te werpen op zichzelf. Want hij of zij was blank, en in die zin ‘kleurloos’.

Dat is niet zo, nooit zo geweest, maar er was in het verleden weinig reden om blankheid als categorie te problematiseren. De anderen, de minderheden waren etnisch of raciaal. De blanken waren, eh,… zozeer niks en alles tegelijk. Ja, ‘gewoon’ blank. Maar die gewoonheid is dus aan slijtage onderhevig.

In die zin zal de etniciteitspolitiek nu het hele spectrum beslaan, van diep zwart tot roomblank, en alles wat daar tussen zit.

Voor sommige blanken zal dat wennen zijn, ineens wordt de camera op hen gericht, en zijn ze niet meer de fotograaf of filmer. Joden, homoseksuelen en vrouwen zullen er over het algemeen minder moeite mee hebben. Niet omdat zij betere mensen zijn, maar omdat de vanzelfsprekendheid hun in het verleden zoveel minder is gegeven.

Hua Hsu, een Amerikaanse auteur met een niet-gemiddelde Amerikaanse naam, schreef pas geleden een artikel in The Atlantic met de onheilszwangere titel: ‘The End of White America’.

Dat zal allemaal wel loslopen, maar een schrijver wil gelezen worden, en een beetje provocatie kan daarbij behulpzaam zijn. Hsu voorziet een beiging van Amerika, het beige worden dus van de natie. In 2042 zullen Afro-Amerikanen, Hispanics, Oost- en Zuid-Aziaten een demografische meerderheid vormen, en zal het ouderwetse begrip fair skinned zijn betekenis verliezen. (Een zeldzaam dubbelzinnige term: hij staat voor ‘bleek’ of blank, maar stiekem ook voor de ‘eerlijke’ kleur.)

Hsu laat een aantal blanke mannen aan het woord, die in hun voorbarige paniek doen denken aan de heren, zo rond 1970, die hun heerschappij definitief bedreigd zagen worden door de eerste feministes die zich roerden. Ik heb goed en slecht nieuws voor ze: ja, de status van blank zal veranderen, net zo goed als dat met ‘de man’ is gebeurd, maar het gaat allemaal veel langzamer en geleidelijker dan de voorlopers zouden willen en de achterblijvers vrezen.

Als iedereen zijn ‘etnische onschuld’ verliest, om het maar zo te noemen, kan dat tot gevolg hebben dat er een zekere ‘etnische transcendentie’ optreedt, en kleur en afkomst er minder toe doen. Interessant is iemand als Tiger Woods, de golfer die zich nooit heeft willen laten vangen in de raciale hokjes, die al voor hem waren gereserveerd. En ook Obama zelf heeft nooit zijn blanke achtergrond verloochend. (Het schijnt zelfs, dat hij van moederszijde verwant is aan Jefferson Davis, één van de protestante Pilgrim Fathers, die Engeland verlieten voor Leiden (!) om zich daarna in het Nieuwe Land te vestigen.)

Dat is de hoopvolle variant van dit verhaal. Maar het is niet moeilijk je een minder florissant scenario voor de geest te halen, waarin wrok en ressentiment onder blanken juist zullen opbloeien, zoals dat ook bij de zwarte activisten Malcolm X en Louis Farrakhan gebeurde.

Nederland ondertussen, kan van deze problemen alleen maar dromen. Onze ‘diversiteitpolitiek’ is een keurig eufemisme, waarachter goedwillende blanken zich kunnen verstoppen. Ik ben van goede wil en… acht, negen, tien…. niemand kan me zien.

Zullen we eens ophouden met die kinderachtigheid, dat verstoppertje spelen, en mee gaan doen met de grote mensenwereld?