Rijke peuters hebben grotere 'gebarenschat' dan arme kinderen

Terwijl kinderen van 14 maanden nog amper een woord zeggen en sociaal-economische verschillen in taalgebruik nog maanden ver weg liggen, maken peuters uit sociaal-economisch zwakkere milieus al wel minder vaak gebaren dan kinderen van ouders met hogere inkomens en langere opleidingen. En die verschillen in gebaren zijn terug te zien in de omvang van hun woordenschat als ze vierenhalf jaar zijn. Die verschillen in ‘gebarenschat’ van de peuters hangen samen met het grotere aantal gebaren dat ouders met een hoger inkomen en een langere opleiding ook zelf blijken te maken – zelfs wanneer rekening wordt gehouden met de grotere woordenschat van deze ouders (Science, 13 februari).

De psychologen Meredith Rowe en Susan Goldin-Meadow onderzochten in totaal 50 peuters, die als peuter anderhalf uur werden gefilmd in gewone interacties thuis en als vierjarige taalkundig werden getest. Ieder aparte aanduiding door de peuters werd geteld (wijzen op appel en wijzen naar een stoel tellen dus als twee gebaren, twee keer wijzen naar een stoel als één gebaar).

Goldin-Meadow toonde in eerder onderzoek al het grote belang aan van gebaren in de menselijke communicatie. Jonge kinderen blijken in hun eerste taalgebruik moeiteloos te schakelen tussen woord en gebaar. Eerst domineren de gebaren (meestal wijzen op het bedoelde voorwerp, maar lang niet altijd) en daaraan worden geleidelijk gesproken woorden toegevoegd. Wie let op gebaren ziet kinderen dus al veel eerder tweewoordzinnetjes maken (van twee gebaren of van een woord en een gebaar) dan wie alleen op gesproken taal let.

En nu is dus aangetoond dat de taalarmoede (vooral de kleinere woordenschat) die kinderen in sociaal-economisch zwakkere milieus treft, ook al aanwijsbaar is in hun vroegste gebaren.

De interactie van de ouders met hun kinderen is waarschijnlijk de belangrijkste reden voor het grotere aantal ‘betekenisdragers’ bij deze kinderen.

Hendrik Spiering