Navigeren in de sneeuw

De nomadische Inuit volgen al eeuwen vaste trekroutes door het Canadese poolgebied. Zij kennen de weg in het ijzige landschap niet van de kaart, maar uit ervaring en van verhalen. Dirk Vlasblom

In het vroege voorjaar van 2006 trok Claudio Aporta in gezelschap van een groepje Inuit (zo noemen Canadese Eskimo’s zichzelf) met drie sneeuwscooters van Naujaat aan de Repulse Bay naar Iglulik. Zo doorkruisten ze van zuid naar noord het schiereiland Melville, aan de noordwestelijke punt van de Hudsonbaai, een tocht van 600 kilometer. De reis werd af en toe onderbroken om te vissen of op kariboe te jagen. Onderweg doken van onzichtbare ‘zijwegen’ andere Inuit op, die verder dezelfde route volgden. Die route, wist Aporta, werd al in 1821 afgelegd door de Britse ontdekkingsreiziger William Edward Parry, met Inuit als gidsen.

Claudio Aporta is een Argentijnse antropoloog. Hij is verbonden aan de Carleton University in Ottawa en doet onderzoek naar inheemse geografische kennis. Tijdens de tocht door Melville drong het tot hem door dat het Canadese poolgebied voor de Inuit geen leeg landschap is, maar een netwerk van trekroutes, die gemeenschappen verbinden met verre buren en met andere plaatsen van betekenis, zoals viswater en jachtgronden. Inuit gebruiken vanouds geen kaarten om te navigeren of om routes en plaatsnamen vast te leggen. Hun enorme reservoir aan geografische kennis is sinds onheuglijke tijden opgedaan door ervaring en overgedragen in verhalen. Aporta schreef over het traditionele nomadische netwerk van de Inuit en hun mondelinge aardrijkskunde een artikel in het tijdschrift Human Ecology (online, 23 januari).

NETWERK VAN TREKROUTES

De trekroutes van de Inuit zijn niet afgedrukt in het landschap, zoals karrensporen of verharde wegen. De sporen van hondensleden en sneeuwscooters verwaaien in een sneeuwstorm of verdwijnen aan het einde van de lente, als de sneeuw smelt. Deze routes zijn alleen opgeslagen in het geheugen van Inuit-gemeenschappen en die kennis wordt van generatie op generatie mondeling doorgegeven. Die onzichtbaarheid is mogelijk de reden dat het Inuitnetwerk niet eerder wetenschappelijk is onderzocht. Het bestaan van een netwerk van trekroutes kan alleen worden aangetoond door exploratie van het menselijke geheugen via interviews en door het actuele trekgedrag van Inuit in kaart te brengen. En dat is precies wat Aporta de afgelopen jaren heeft gedaan. Hij nam interviews af, trok mee en legde routes en plaatsnamen vast met moderne navigatietechnieken (GPS) en met cartografische hulpmiddelen als GIS en Google Earth.

DATABESTANDEN

Aporta’s onderzoek bestreek vijf Inuit-gemeenschappen op Melville en op Baffin Island: Arctic Bay, Iglulik, Hall Beach, Taluqjuaq en Cape Dorset. Aan de hand van gesprekken met jonge jagers en bejaarde reizigers, wier trekverhalen hij intekende op de kaart, en met behulp van notities en GPS-peilingen tijdens tochten met de sneeuwscooter toont hij aan dat er vaste routes bestaan die deze gemeenschappen verbinden. Hij laat ook zien dat elke gemeenschap een groot aantal plaatsnamen kent die betrekking hebben op het gebied rond hun huidige en vroegere woonplaatsen, op naburige jacht- en visgronden en de trekroutes ertussen. ‘Geografische databestanden’ van naburige gemeenschappen overlappen elkaar. Een enkeling kent ook namen, plaatsen en routes in verder gelegen streken, het woongebied van andere gemeenschappen. Zo komt een netwerk in beeld van trekroutes, dat zich uitstrekt over het hele Canadese poolgebied (zie kaart).

Voordat de Canadese overheid hen in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw aanspoorde om een vaste woon- en verblijfplaats te kiezen (sedentarisering), was trekken voor de Inuit een manier van leven. Aporta vertelt via de telefoon vanuit Ottawa: “In die nomadische tijd waren zij nog niet gebonden door school- en werktijden en was hun actieradius niet beperkt door de voorraad brandstof van de sneeuwscooter. Onderweg zijn was geen verloren tijd tussen vertrekpunt A en bestemming B. De weg werd niet afgelegd, maar geleefd, met visvangst en jacht, met opvoeding van de kinderen en ritueel. Een Inuit vertrok of arriveerde nooit ‘te laat’; tijd werd niet gemeten in reistijden, maar in seizoenen, het breken van het ijs en de trek van de kariboe. Reistijden werden losjes uitgedrukt in aantallen overnachtingen. Iedere tocht werd een verhaal en in die mondelinge ‘journaals’ werd hun aardrijkskundige kennis verwerkt, bewaard en doorgegeven.”

TAAL

Omdat de routekennis mondeling werd overgedragen, was gesproken taal hét medium om kennis van landschap, sneeuw en ijs over te dragen en reis- en windrichtingen aan te geven. De taal van de Inuit, het Inuktitut, kent veel woorden die verband houden met een trekkend bestaan. Een paar voorbeelden. Aullaaq betekent ‘hij is met zijn familie vertrokken naar een ver oord’; utirjariaq is ‘iemand die weggaat en terugkomt op dezelfde reis’; pagijjijut zijn ‘mensen die achterblijven als de jager weg is op een lange reis’ en kivavaan (‘zuidwaarts’) zijn mensen die van Iglulik richting Naujaat reizen.

De kennis van een bepaalde trekroute is geen individuele herinnering aan één bepaalde tocht. Die herinnering is verweven met individuele en collectieve herinneringen aan eerder gemaakte reizen en met allerlei omgevingsinformatie en plaatsnamen in het Inuktitut. Routes worden beschreven in termen van wat zichtbaar is aan de horizon. Voor wie over een stuk toendra of een bevroren zee trekt, kan het opduiken van een heuvel met een bepaald silhouet een keerpunt zijn op de route. Zulke oriëntatiepunten in het landschap hebben een naam. Routes worden beschreven als reeksen van dergelijke plaatsnamen, die verwijzen naar heuvels, rotsen, meren en kustlijnen. Namen verwijzen ook naar de trekrichting. Zo betekent iglunnguaraaluuk ‘twee heuvels in de vorm van een iglo die vanaf het vasteland gezien de meest opvallende punten aan de horizon zijn’. Dezelfde route krijgt soms een andere naam als je hem in tegenovergestelde richting aflegt.

Aporta: “Ervaren Inuitreizigers kennen honderden, soms duizenden namen van oriëntatiepunten in het landschap, jacht- en visgronden en trekroutes rond hun woonplaatsen. Routes verbinden gemeenschappen en elke gemeenschap is een knooppunt in het netwerk van trekroutes. Die routes hebben een belangrijke sociale functie: ze helpen het contact tussen gemeenschappen onderhouden en dienen als kanalen van goederenruil en informatie. Inuit die elkaar onderweg tegenkomen, maken altijd een praatje. Dan geven ze elkaar wat te roken en wisselen ze informatie uit.’’

INUITGIDSEN

Hoewel soms nieuwe routes in gebruik worden genomen voor nieuwe reisbehoeften (weekendtrips, ijshockeytoernooien) en nieuwe vervoermiddelen (sneeuwscooters) en een enkele route in onbruik raakt, bestaan de meeste al zolang dat zij deel zijn van de geschiedenis van de Inuit. Om de ouderdom te bepalen van deze trekroutes, die volgens bejaarde Inuit al ‘sinds mensenheugenis bestaan’, vergeleek Aporta huidige routes met historische documenten, zoals kaarten en reisverslagen.

Aporta: “De ontdekkingsreizigers William Edward Parry en George Francis Lyon zochten in 1821 naar een noordwestelijke doorvaart tussen de oceanen. Zij maakten gebruik van Inuitgidsen en waren de eerste niet-Inuit die doordrongen op het schiereiland Melville. De twee noemen in hun reisverslag maar liefst 83 plaatsnamen die ze hadden opgevangen van hun gidsen en die nu nog worden gebruikt.”

De betrouwbaarheid van mondeling overgedragen kennis wordt wel in twijfel getrokken. Aporta: “In onze cultuur heeft het geschreven woord veel meer gewicht dan de mondelinge overlevering. Wij gaan ervan uit dat die laatste veranderlijk en dus onbetrouwbaar is. Ik heb laten zien dat er een netwerk bestaat van Inuitroutes, die al eeuwen bekend zijn in de vorm van reeksen plaatsnamen. Daaruit blijkt wel dat complexe kennis gedurende lange tijd nauwkeurig kan worden overgedragen van de ene generatie op de andere.”

Er is veel veranderd, maar er is nog steeds geen reis zonder reisverhaal. Aporta: “In de lente van 1987 maakte de Inuit-jager Theo Ikkumaq uit Iglulik een tocht naar Qaanaaq op Groenland met een hondenslee. Zijn voorouders hadden dezelfde tocht gemaakt in de negentiende eeuw. Theo gebruikte route-informatie van ouderen in Arctic Bay. Zij hadden hem het landschap, het ijs en de sneeuw tot in bijzonderheden beschreven, terwijl ze die reis al lang geleden hadden gemaakt. Toen hij terugkwam, nodigde het lokale radiostation hem uit om te vertellen over die tocht. Zijn verhaal duurde drie dagen.’’