Miljoenen ontslagen, maar bonussen blijven 2

De opmerking van minister Bos dat het om bescheiden beloningen gaat voor hardwerkende mensen past in een andere financiële werkelijkheid dan de huidige. Maar de uitbetaling van bonussen is niet noodzakelijk.

Het Burgerlijk Wetboek biedt in artikel 6:258 een mogelijkheid aan partijen bij een overeenkomst om wegens onvoorziene omstandigheden aan de rechter te vragen de gevolgen van hun overeenkomst te wijzigen of de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden. De rechter kan aan de uitspraak terugwerkende kracht verlenen. In het eerste lid van het artikel worden de onvoorziene omstandigheden aldus omschreven: „Onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn, dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten.”

Uit de parlementaire stukken blijkt dat het moet gaan om omstandigheden waarmee partijen bij het maken van hun afspraken geen rekening hebben gehouden. Wellicht was een kredietcrisis op enig moment voorzienbaar. Het is echter niet verdisconteerd in de bonusafspraken. Integendeel, de afspraken werden gemaakt in het kader van de expansie van Fortis door inlijving van ABN Amro en missen thans betekenis en doel.

In de zaak ABN Amro speelt nog een argument voor het gebruikmaken van de mogelijkheid die art. 6:258 BW partijen biedt. De staat is de vertegenwoordiger van de burgers en niet alleen de belangenbehartiger van de werknemers van ABN Amro. Gelet op de dubbelfunctie van de staat is het aan te bevelen om de hulp van de rechter, een onafhankelijke derde, in te roepen.