'Ik duw mensen van beneden naar boven'

Een grote mond met een hoofddoek. Zo noemt ze zichzelf. Over het belang van werk en gemengde scholen. „Als ik moslims zover zou krijgen, zou ik graag een paar misdrukken van de koran verbranden.”

Fatima Elatik (35) is een in Nederland geboren dochter van Marokkaanse immigranten. Ze groeide op in de Amsterdamse Rivierenbuurt, in een straat met Marokkaanse, Turkse, Surinaamse en vooral Nederlandse gezinnen. „We kwamen op elkaars verjaardagen, zoals die van Beppie. Zo heb ik geleerd dat je op een Nederlandse verjaardag iedereen feliciteert. Marokkanen feliciteren alleen de jarige.”

In het multiculturele debat in Nederland is Elatik inmiddels een vertrouwde verschijning. „Een grote Amsterdamse mond met een hoofddoekje”, zegt ze zelf. Begin jaren negentig viel ze op door als jonge studente in het tv-programma Vesuvius de presentator in de hoek te drijven met een felle tirade over Marokkaanse hangjongeren. Onlangs nog schreef ze een column over de nieuwe integratienota van haar partij, de PvdA, die ze zuinig omschrijft als: „Een goed begin.”

Elatik bleek voor de buitenwereld lastig te plaatsen. Ze is een moderne moslima die als huwelijksambtenaar enkele jaren geleden het homohuwelijk van een collega-wethouder sloot. Ze is ook de vrouw die in 2000 begrip toonde voor het afgelasten van een opera en zich langdurig de woede op de hals haalde van Theo van Gogh en de zijnen. Die ongrijpbaarheid lijkt terug te voeren op haar jeugd- en tienerjaren in ogenschijnlijk onverenigbare werelden.

Ze komt uit een arbeidersgezin met twee zonen en een dochter. Haar vader werkte zijn hele leven in een magazijn. Haar moeder is „een heel slimme, pientere vrouw” die pas op latere leeftijd leerde lezen. Elatik: „Bij ons werd veel gepraat over politiek, vaak voor de televisie met het journaal aan. Mijn oudste broer lag vaak te lezen en dan kroop ik zó op zijn schoot.” Ze beweegt haar twee handen over haar buik. „Zo heb ik een boek over Che Guevara meegelezen.”

Sinds enkele weken is ze stadsdeelvoorzitter van Zeeburg, dat met ruim 50.000 inwoners de omvang heeft van een provinciestad en snel groeit. Ze is ‘burgemeester’ van een stuk stad met sterk uiteenlopende wijken: het hippe Oostelijk Havengebied, nieuwbouwwijk IJburg met onder meer eengezinswoningen voor de middenklasse en de Indische Buurt, een van de meest gemengde buurten van Amsterdam. „Natuurlijk wordt er geschreven: de eerste stadsdeelvoorzitter met een hoofddoek”, zegt Elatik. „ Maar het mag nu toch wel eens over mijn capaciteiten gaan.”

Een van die capaciteiten is om gemakkelijk met mensen om te gaan. Ze praat veel, in heldere en beeldende zinnen. Ze staat op om mensen na te doen, zoals de typische Marokkaanse hangjongeren met hun ‘slappe houding’. Ze vertelt anekdotes, zoals die over haar moeder als passagier in de auto. „Dan leest ze de verkeersborden. ‘Amers..., Fatima, niet zo hard rijden’ Dan zeg ik: ‘Mam we zitten op de snelweg’. En bij het volgende bord hoor je Amers...foort’.”

In de stroom persoonlijke herinneringen en politieke vergezichten duikt steeds de straat op uit haar jeugd. „Onze voordeuren stonden altijd open. We kwamen bij elkaar over de vloer. De oudere dame op de bovenste verdieping was ‘oma’ voor ons allemaal. Ik had het naïeve idee dat ik een gewone Amsterdamse meid was. Ik had nooit het gevoel dat ik anders was.”

Wanneer veranderde dat?

„Toen ik op mijn achttiende naar de hogeschool ging. We waren met vijf Marokkaanse meisjes op 11.000 leerlingen. Dus dat viel op. Ik kreeg vragen over de hoofddoek, en over waar ik geboren was. Heel begrijpelijk hoor, maar sinds die tijd ben ik Marokkaanse. Daarvóór, in de Rivierenbuurt, had ik geen oog voor de verschillen tussen de bevolkingsgroepen. Die straat is eigenlijk nog steeds mijn ideaal als bestuurder: een wijk waarin alle verschillende mensen met elkaar omgaan. Ik ben dan ook honderd procent voor gemengde wijken.”

Mijn straat in de Indische Buurt is gemengd, maar we leven toch langs elkaar heen

„Dat klopt. Ik praat zelf ook meer met mijn witte hoog opgeleide buren over een nieuwe film, dan met mijn laagopgeleide Marokkaanse buren.”

Toch stonden die arbeidersgezinnen uit uw tijd blijkbaar wel open voor andere groepen.

„Ik heb foto’s gezien van de Marokkaanse mannen die net als mijn vader naar Nederland kwamen. Ze waren net Italianen: mooie pakken, elegant. Die mannen verloren in de jaren tachtig allemaal hun baan. Ik was een jaar of elf en ging met hen mee als tolk, naar dat vreselijke GAK-kantoor. Daar vertelde de arts: ‘laat je maar afkeuren, met jouw Nederlands vind je nooit een baan’. Die mannen huilden; ik zag de levensvreugde uit hun gezicht verdwijnen. Ze raakten in een isolement. Mijn vader heeft altijd een baan gehouden. Dan had hij een Nederlandse collega wiens zoon werd opgeleid tot laborant. En dan zei hij tegen mij: ‘Dat moet jij ook doen, Fatima’. Dat leek hem toen het hoogste wat je kon bereiken.”

Dus het integratiedebat moet eigenlijk over werkgelegenheid gaan?

„Natuurlijk moet je praten over religie en cultuurverschillen. Maar de sociaal-economische verschillen zijn belangrijker. Ik ga het toch even tekenen...” Ze springt op en tekent op een whiteboard de piramide van de socioloog Maslow, met de zes verdiepingen waarin de behoeften van mensen zijn ingedeeld. „Mensen in de twee onderste niveaus kunnen alleen voorzien in hun basisbehoeften. Daar zitten de meeste allochtonen. Wij, politici en opiniemakers, zitten in de vier niveaus daarboven. Dan kun je van bovenaf naar beneden roepen: ‘Houd eens op met je rare opmerkingen over homo’s!’ Maar mensen die vooral aan het overleven zijn, voelen dat alleen maar als bedreiging.”

Denkt u dan aan iemand als Ayaan Hirsi Ali?

„Bijvoorbeeld. Het doel van Ayaan en mij is precies hetzelfde: de bevrijding en de gelijkberechting van vrouwen. Alleen: zij kiest voor de confrontatie, van boven naar beneden. Ik kies ervoor om de mensen van beneden naar boven te duwen. Om hen dezelfde weg te laten gaan als ikzelf.”

Welke weg?

„Rond mijn zestiende was ik een echte moslima, met lange handschoenen, lange broeken en een hoofddoek. Ik weigerde ook om mannen een hand te geven. Het was puberaal gedrag. Net zoals toen ik daarvoor Madonna wilde zijn en urenlang voor de spiegel mijn haren stond te touperen. Het was een vorm van het vinden van een identiteit. Ik was Nederlander, Marokkaan én moslim en koos ervoor een echte moslim te worden. Het waren de jaren tachtig, dus voor de tijd van mafkezen als Bin Laden. Mensen lieten me gewoon mijn gang gaan met een ‘ach ja, puberteit’.

„Mijn vader vond het helemaal niks. Nam hij de telefoon op met ‘hallo’, zei ik: ‘Je moet salam aleikum zeggen’. Dan zei hij, geërgerd: ‘Ik heb de koran bestudeerd, ik ben imam, lees mij niet de les.’ Op een gegeven moment stond ik in een kledingzaak te wachten en kon ik het niet laten mee te bewegen met de muziek.” Ze beweegt haar hoofd. „Toen dacht ik: hé, dat hoort eigenlijk niet. Dus ben ik gaan nadenken. En later kwam ik op de hogeschool met heel veel andere soorten mensen in contact en dat doorbrak het isolement. Sindsdien heb ik een evolutie doorgemaakt.”

Bidt u nog wel vijf keer per dag?

„Als het maar een beetje kan, wel. Ik heb hier een gebedskleed.” Ze wijst op een rood kleed dat over een leunstoel hangt. „Ik houd me steeds meer bezig met spiritualiteit. En bidden is een vorm van meditatie. Dat kan ik goed gebruiken in mijn drukke baan.”

Waarom draagt u nog wel de hoofddoek?

„Niet om mijn mooiheid te bedekken. Niet voor mijn vader. Die was er altijd tegen. Nee, de hoofddoek is uitdrukking van religiositeit. Het is ook een eerbetoon aan mijn moeder, de oermoeder der hoofddoekdragers. Zij leerde mij gemeenschapszin. Ze zei: ‘Als het houten huis van je buurman in de brand staat, moet je niet wachten totdat je eigen huis in brand vliegt.’ Wie weet, denk ik over twintig jaar: waarom had ik twintig jaar geleden dat ding op? Wie weet, verandert het nog wel eens. Het leven is een reis.”

Jij hebt de reis omhoog gemaakt. Hoe laat je die anderen maken?

„Door te zorgen voor werk, want dat is de belangrijkste manier om contact met anderen te krijgen. En door goed onderwijs, mijn grote liefde. Ik ben thuis gestimuleerd om te leren. Door mijn moeder die wilde dat ik de kansen benutte die zij niet had gekregen. En door mijn vader. Als ik thuis bonje wilde, moest ik zeggen: ‘Ik stop met studeren en ga trouwen en kinderen krijgen’. Andere meiden van Marokkaanse ouders moesten thuis een strijd voeren om te mogen doorleren. Op school moesten deze meisjes ook nog strijd voeren tegen allerlei ideeën van de buitenwereld, die hen zag als Marokkaans. Dat zag ik op de hogeschool. Daarom heb ik toen een studentenvereniging opgezet. Zo zijn mijn politieke ambities ontstaan.”

Onlangs bleek uit onderzoek dat sommige allochtone kinderen rond hun vierde maar 200 tot 300 Nederlandse woorden kennen. Hoe kan dat?

„We hebben in Amsterdam twintig jaar geëxperimenteerd met onderwijsprogramma’s. Dat is niet goed gegaan. We zijn nu weer terug bij het taalonderwijs dat ik zelf heb gehad, namelijk waarbij je elk woord leert in de context!” Ze richt zich tot de vragensteller: „Waar denk je aan bij het woord kopje?”

Uh, die koffiekop daar.

„Oké, maar kopje is ook een klein hoofd, of een titel boven een tekst. Dat is niet zo makkelijk uit elkaar te houden. Ik had een heel goede leerkracht, meester Henk. Als die het woord ‘appel’ uitlegde, dan sprak hij daar een uur over. Appeltaart bakken, het klokhuis enzovoort.” Ze houdt een denkbeeldige appel omhoog. „Na afloop kon je het woord niet alleen horen, maar ook zien en zelfs ruiken. Gebruiken dus.”

Ze pakt de placemat met 3.000 basiswoorden, die de gemeente Amsterdam onlangs heeft uitgedeeld op alle basisscholen. „Knuffelen. Ik had moeite om dat woord te leren. Hoe gebeurt dat precies?” Ze lacht hard.

Komt het niet doordat deze kinderen thuis geen Nederlands spreken?

„Nee. Door het vroeg leren van meerdere talen worden je hersens gecodeerd om meer vreemde talen te leren. Ik heb als kind drie talen geleerd. Nederlands en Arabisch op school, en Berbers thuis. Ik ging naar een school met een Nederlands en een Marokkaans curriculum. Dat was een school met een volledig Arabische populatie en goede leerkrachten. Daarom heb ik lang gezegd: ‘Wat maakt het uit of een school zwart is, als het onderwijs maar goed is’. Pas later realiseerde ik me dat ik zelf buiten de zwarte school wel in aanraking kwam met anderen doordat ik in een gemengde wijk woonde. Daarom ben ik nu voor het mengen van scholen, om met elkaar in verbinding te blijven.”

In uw eigen IJburg is een veel te zwarte en een veel te witte school ontstaan. Hoe kan dat?

„Ja, dat krijg je als je heel veel sociale huurwoningen bouwt bij een school, die dan dus zwart wordt. We praten wel met schoolbesturen om te zien of we het kunnen verbeteren. Je kunt witte ouders niet dwingen hun kind op een zwarte school te doen. Het initiatief dat nu in Nijmegen wordt genomen om kinderen en ouders een school toe te wijzen, kennen we in Amsterdam ook. Maar het is de vraag of dat systeem daar juridisch stand houdt. Je zult toch ‘hearts and minds’ van mensen moeten winnen.”

Wat kan je wel doen om de wijken dichter bij het ideaal te brengen?

„De wijk opknappen. Als gemeenteraadslid had ik altijd ruzie met Duco Stadig [wethouder Ruimtelijke Ordening], die dan weer 100 miljoen wilde steken in de havenloodsen. ‘Stop dat geld maar in sociale vernieuwing’, zei ik dan. Inmiddels heb ik geleerd dat fysieke vernieuwing heel veel sociale vernieuwing kan bewerkstelligen. Op een plein in de Indische Buurt waren jaren geleden veel problemen met hangjongeren, die veel rottigheid uithaalden achter de struiken. We hebben die struiken weggehaald en er bankjes neergezet. Nu zitten er gewoon mensen op de bankjes. Dat was niet gelukt met alleen maar een paar extra sociale werkers.”

Hoe zat het met uw stellingname rond het afgelaste muziektheaterstuk ‘Aïsja en de vrouwen van Medina’ in 2000?

„Het was een tweetalige opera van Onafhankelijk Toneel. Op een gegeven moment belde een journalist mij op en zei dat de voorstelling niet doorging. Het tonen van de profeet Mohammed viel niet goed bij sommige moslims. Het enige wat ik toen gezegd heb is: ‘Ik heb er begrip voor dat ze dat doen, omdat ze anders de helft van hun publiek verliezen en dus hun doel missen’. Daar heeft Theo van Gogh van gemaakt dat ik de opera wilde verbieden. Er was geen sprake van censuur, maar hij bleef het maar zo noemen. Een bewonderaar van Van Gogh heeft me sindsdien bestookt met brieven, mails en kaartjes waarin bijvoorbeeld stond: ‘Jij en jouw soort moeten door bulldozers worden platgebulldozerd, net als de Palestijnen in Ramallah’. Het was geestelijke stalking. Het werd erger na 11 september 2001. Op 6 mei 2002 werd Fortuyn vermoord. Om 18.10 uur. om 18.14 uur kreeg ik weer een mailtje met: ‘Heb je nu je zin, vies varken?’ Uiteindelijk is de man aangehouden en veroordeeld.”

U bent na de dood van Theo van Gogh in 2004 zo bedreigd dat u moest worden beveiligd. Wat deed dat met u?

„Ik ben van nature enthousiast, maar voelde me steeds meer geremd. Zat ik op een terras, lachte een man vriendelijk naar me, dacht ik: misschien ben jij het wel die die dingen schrijft. De beveiliging heb ik als zeer zwaar ervaren. Het maakte me angstig, paranoïde. Dat merkte ik vooral toen de bewaking stopte. Ik liep op straat, iemand kwam achterop rennen, om een tram te halen, en mijn hart klopte in mijn keel. Boem boem boem. Ik raakte afgesneden van mijn levensader, het contact met mensen. Drie maanden geleden ben ik alleen door de Kalverstraat naar het station gelopen en weer terug. Voor het eerst in jaren. Ik heb meteen mensen gebeld dat het was gelukt. En dan had ik nog maar heel kort bewaking. Ik maak me echt zorgen over de gevolgen voor mensen als Aboutaleb, Hirsi Ali en Wilders, die stuk voor stuk een veel zwaardere en langere beveiliging moeten verduren.”

Wat vindt u van de strafrechtelijke vervolging van Wilders?

„Daarover heb ik een dubbel gevoel. Ik zou echt willen dat hij een tik op de vingers krijgt van de rechter. Want hij mag dan praten over haat zaaien in moskeeën, hij maakt zich zelf er ook schuldig aan met zijn opmerkingen over moslims. Anderzijds moet ik er niet aan denken dat hij de gevangenis in zou moeten. Dat geeft me het gevoel van een Derdewereldland. Het is beter als politici veel serieuzer ingaan op wat hij zegt. Het gaat altijd over de toon, niet over de inhoud. De enigen die inhoudelijk met hem debatteren zijn Marijnissen en Pechtold. Die doen dat heel goed.”

Geen enkele PvdA-politicus?

,,Nee, niet een die opvalt.”

En u?

„Als ik hem hoor over de koran en de Donald Duck, lig ik dubbel. Donald Duck is een topblad, het is toch een grappige opmerking. Als ik moslims zover zou krijgen, zou ik graag een paar misdrukken van korans verbranden. Zo zou ik Wilders willen laten zien dat je daarmee de wereld niet verandert. Ik zou graag met hem persoonlijk in debat gaan. Dan zou ik hem zo vastpakken.” Ze pakt de interviewer vast. „Een beetje knuffelen en vragen waarom hij bang is voor moslims, dat hij ze zo haat. Wilders en ik zijn het soms wel eens. Ik ben bang voor islamisering van elk maatschappelijk probleem. Dat verbloemt de problemen alleen maar.”