Hollanders langs de Hudson

Vierhonderd jaar geleden voer Henry Hudson over de naar hem genoemde rivier. Hollandse handelaren volgden. Sporen zijn er nog.

Wiltwyck, Kykuit, Evert Terwilliger House of het Luykas van Alen House. Allemaal Hollandse wortels langs de Amerikaanse rivier de Hudson. En dat tegen de achtergrond van groene Catskill Mountains. Wie in de herfst gaat treft het helemaal, dan verkleurt dat groen naar spetterend geel, oranje en donkerrood.

Zou Henry Hudson daar ook van hebben genoten? Of was de teleurstelling daarvoor te groot, toen hij in de herfst van 1609 Albany had bereikt? Op dat moment moet hij beseft hebben dat hij de gedroomde zeeweg naar China en India niet zou vinden. Dat hij terug moest met zijn schip de Halve Maen. Dat hij aan zijn opdrachtgever, de Verenigde Oost-Indische Compagnie, slechts kon melden dat hij door vruchtbaar land was gevaren.

De Hollanders waren minder teleurgesteld dan Hudson, want de kooplieden roken meteen handel. Al snel na Hudson voeren ze naar Nieuw-Nederland om er nederzettingen te stichten en met de indianen kostbare bever- en ottervellen te ruilen voor wapens en wollen dekens. Ze deden goede zaken, ook nadat de Engelsen de kolonie een halve eeuw later hadden overgenomen. Want handel is handel, daar houd je niet mee op omdat er een andere vlag waait. Geen wonder dat er overal langs de Hudson Nederlandse namen opduiken. Sommige families bleven nog tijden lang Nederlands spreken, terwijl ook de Nederlandse feestdagen niet werden vergeten.

Dat de Hollandse handelaren goed boerden, blijkt wel uit de fraaie huizen die hun nazaten lieten optrekken. Zo kan de toerist zich in Albany vergapen aan een Ten Broeck Mansion en een Schuyler Mansion. Het Schuyler huis, een rechthoekig blok met dakkapelletjes, ontleent zijn charme aan de vijfhoekige, aangebouwde entree met elegant balkon erboven. Inhoudelijk hebben de huizen weinig Hollandse trekken, daarvoor waren de families al te ver verwijderd van hun wortels. Maar mooi zijn ze wel.

De in Nijkerk geboren Kiliaen van Rensselaer heeft maar liefst twee stadjes op zijn naam: Rensselaer bij Albany, aan de overkant van de Hudson, en het schattige Rensselaerville. De diamanthandelaar Rensselaer was een belangrijke geldschieter van de jonge kolonie. Maar ook niet meer dan dat, want hij is er nooit geweest. Zijn nazaten wel. Zo kunnen we tegenwoordig het door zijn kleinzoon gebouwde huis Crailo in Rensselaer bewonderen. In het museum binnen liggen opgegraven Hollandse gebruiksvoorwerpen en restanten van Fort Oranje, zoals Albany eerst heette. Vlakbij staat de First Church met een echte Hollandse preekstoel.

Verder naar het zuiden lonken de ruige Catskill Mountains. Maar eerst nog Kinderhook, aan de overkant. Nadat Hudson daar het anker had uitgegooid, kwamen zoveel indiaanse kinderen het schip bewonderen, dat hij de plek deze naam gaf. Ook hier statige huizen met Hollandse namen. In het Luykas van Alen House kun je zelfs zien hoe Nederlanders vroeger hebben geleefd, compleet met bedstee, houten vloer en open vuur.

De Catskill Mountains hebben hun naam waarschijnlijk eveneens aan Hudson te danken. Hij landde bij een kreek (kil betekent kreek) waar kennelijk lynxen (bobcats) rondliepen. Kreken zijn er nog steeds, evenals talloze watervallen. En je kunt er fantastisch wandelen door eindeloos groen.

Van de Hollandse wortels van het zuidelijker gelegen Kingston – ooit Wiltwyck geheten – is helaas weinig over. Eens was het een bloeiende handelspost omgeven door indianen op oorlogspad. In 1658 kreeg Peter Stuyvesant daar genoeg van. Om hen af te schrikken, liet hij rond Wiltwyck een palissade van boomstammen bouwen, een stockade. Dat hout is al lang vergaan, maar het Stockade District bestaat nog. Weliswaar met huizen van na de Hollandse tijd, maar dat maakt de Amerikanen niet uit. Ze zijn tuk op historie en dolblij dat ze naar de Hollandse pioniersjaren kunnen verwijzen met een ‘echte’ Old Dutch Church. Maar die stamt van lang daarna, uit 1852. Wat geeft het. In het Stockade District staan nog voldoende panden uit de zeventiende en achttiende eeuw en die zie je zelden in Amerika. Kingston is dan misschien jonger dan Albany, het oogt in elk geval aardiger.

Verder stroomafwaarts en van nog recenter datum is het Vanderbilt Mansion. Vanderbilts voorvader Jan Aertszoon kwam uit het Nederlandse De Bilt en werkte in de kolonie Nieuw-Nederland. Hij zal nooit hebben kunnen bevroeden dat zijn nazaten puissant rijk zouden worden. Het gigantische huis met zijn kostbaar ingerichte vertrekken, Italiaanse tuinen en prachtige zichten op de rivier de Hudson past wonderwel bij de rijkdom van deze familie.

Nog verder richting New York wordt het serieus. Want warempel, daar liggen de eerste echte Hollanders. In een graf weliswaar, maar zo’n Hollandse grafsteen is toch een stuk tastbaarder dan alleen een naam. Eleanor van Tassel, eigenlijk Van Texel, is een beroemde. De schrijver Washington Irving gebruikte haar waarschijnlijk als voorbeeld voor de romanfiguur Katrina van Tassel in zijn ‘Legend of Sleepy Hollow’. De legende zit vol Hollanders; geen wonder, ook Irvings moeder kwam uit Nederland.

Eleanor van Tassel ligt net als Irving begraven bij de kerk van Sleepy Hollow. Eind vorige eeuw heette het hier nog North Tarrytown, maar marketingjongens bedachten dat het plaatsje vast meer toeristen zou krijgen als ze het Sleepy Hollow zouden noemen. Inderdaad lopen er diverse Amerikaanse toeristen rond; stuk voor stuk op zoek naar de graven van Irving en Van Tassel.

Een tuinman leunt achteloos op zijn hark – een alibi om op de begraafplaats te zijn – en spreekt elke bezoeker aan. Willen de bezoekers Nederlanders zien? Dan moeten ze daar maar eens kijken, en hij wijst tussen de oude bomen door naar het westen. Daar liggen behalve de Van Tessels en de Van Tassels (‘Hier lijde het ligham van…’) ook drie generaties Couenhove, een Nederlandse naam die een paar eeuwen later is verengelst tot Conover.

De tuinbaas heeft oprecht plezier in zijn rol als rondleider en troont de bezoekers mee naar de voor Amerikaanse begrippen stokoude kerk. De tegenwoordig gotische ramen waren tot de negentiende eeuw nog klein, vierkant en maar liefst twee meter boven de grond, zo weet hij te melden. Daardoor konden nieuwsgierige indianen niet naar binnen kijken. In de gevel zijn Oud-Hollandse IJsselsteentjes verwerkt. Ze kwamen als ballast mee met de handelsschepen en werden voor de fijne detailleringen gebruikt. Voor het grovere werk moest men genoegen nemen met lokaal hout en zwerfkeien. Wijzend op het koperen weervaantje op het kerkdak vertelt de tuinman dat de letters VF voor Vredryck Flypse staan, de man die het kerkje in 1685 liet bouwen.

De in Bolsward geboren Flypse handelde hier in bont en graan. Een replica van zijn graanmolen is nog te bezichtigen. Zijn huis, in de oorspronkelijke staat teruggebracht, staat samen met een pachtershuis en een achttiende-eeuwse schuur eveneens open voor publiek. Eigenlijk woonde Flypse meer in Manhattan en al gauw liet hij zich Frederick Philipse noemen; dat verklaart waarom zijn voormalige huis en have Philipsburg Manor heten.

Dankzij de Engelse zeevaarder Hudson ging het de Hollanders dus goed in Nieuw-Nederland. Met hemzelf is het slecht afgelopen. Omdat de Britten niet wilden dat hun onderdaan nog een keer voor de Hollandse VOC op ontdekkingsreis ging, voer hij in 1610 braaf onder Engelse vlag westwaarts. Dit keer met de Discovery. Maar het liep niet lekker. Hudson kreeg geen vat op zijn bemanning en onderweg hadden diverse vechtpartijen plaats. De Discovery voer noordelijker dan in 1609 en via wat nu bekend staat als de Hudson Straat kwam het schip terecht in de naar Hudson genoemde baai. De winter viel in en de Discovery vroor vast in het ijs.

Toen het schip in het voorjaar eindelijk weer zeewaardig was, brak er een opstand uit. Hudson wilde verder, een groot deel van de bemanning had er genoeg van en verlangde naar huis. Daarom dumpten de bemanningsleden Hudson, zijn zoon en enkele vertrouwelingen in een boot en zeilden er snel vandoor. Van de arme Hudson is nooit meer iets vernomen.