Goed gedrag

Moreel gedrag heeft geen christelijke, maar een biologische basis. We helpen elkaar overleven.

Morele regels zijn niet uitgevonden door religies, maar door deze overgenomen, nadat ze in de evolutie ontwikkeld waren voor sociaal levende dieren, inclusief de mens. Deze regels dienen om de samenwerking en onderlinge steun binnen een sociaal levende groep te bevorderen. Ze functioneren als een sociaal contract dat een groot aantal beperkingen aan het individu oplegt.

Darwins morele psychologie (1859) was niet gebaseerd op een egoïstische competitie tussen individuen, maar op sociale betrokkenheid binnen de groep. Tijdens de evolutie is het elkaar helpen voortgekomen uit het liefdevolle zorggedrag van ouderdieren voor hun nakomelingen. Vervolgens werd dit uitgebreid tot soortgenoten volgens het principe: wie goed doet, goed ontmoet. Op een gegeven moment werd sympathiseren met de ander een doel op zich. Ten slotte wordt dit product van miljoenen jaren evolutie een hoeksteen van de menselijke moraal die pas recentelijk, een paar duizend jaar geleden, in religies is opgenomen. Het is overigens cynisch te moeten constateren dat het hebben van een gemeenschappelijke vijand de sterkste prikkel voor het gemeenschapsgevoel is, een mechanisme waar vele wereldleiders misbruik van hebben gemaakt.

Inherent aan het biologische doel van moraliteit – de samenwerking bevorderen – is dat leden van het eigen groepje bevoordeeld worden. Allereerst is er de loyaliteit aan het eigen gezin, de familie en de eigen gemeenschap als een morele plicht. Als de overleving en de gezondheid van de naasten is gegarandeerd, dan kan de loyaliteitscirkel worden uitgebreid: ‘Erst das Fressen, dann die Moral’, zoals Bertolt Brecht schreef. Sinds kort hebben we het zo goed dat de cirkel van loyaliteit uitgebreid wordt naar de EU, het Westen, de Derde Wereld en het dierenwelzijn, en, sinds de Conventie van Genève in 1949, zelfs naar onze vijanden. De noodzaak hiervoor werd echter al veel eerder gevoeld. In de derde eeuw voor Christus verzuchtte de Chinese filosoof Mozi toen hij de oorlogsverwoestingen zag: „Wat is de weg naar de universele liefde en wederzijds voordeel? Dat niemand landen van anderen beschouwt als de zijne.”

Hoewel er ook in testen geen significant verschil is in de morele keuzes die atheïsten en gelovigen maken, claimt de Intelligent Design (ID) beweging het moreel gedrag als iets wat specifiek is voor de mens, en iets wat voortkomt uit religie, en dan vooral uit het christendom. Zo kan men in het boek van Dekker (2005) lezen dat de ID’er Van der Meer zegt „(…) mensen zijn de enige primaten die nadenken over morele normen”. Frans de Waal, een expert op dit gebied, heeft er echter op gewezen dat de mens meestal helemaal niet nadenkt over morele acties. Er wordt snel en instinctief gehandeld vanuit een sterke biologische basis. Vervolgens verzint men achteraf een reden voor wat men in een flits, onbewust, gedaan heeft. Onze morele waarden zijn in de loop van miljoenen jaren geëvolueerd en berusten op onbewuste universele waarden. Moreel gedrag is ook reeds vroeg in de ontwikkeling zichtbaar, wat tezamen met het moreel gedrag bij dieren een argument is voor de biologische basis voor dit gedrag. Jonge kinderen troosten familieleden die pijn hebben al voor ze taal hebben ontwikkeld of over morele normen hebben kunnen nadenken, net zoals mensapen elkaar troosten. Als volwassenen doen alsof ze verdriet hebben, troost een kind van 1-2 jaar hen al. En niet alleen de kinderen, want ook de huisdieren deden heftig troostend in zo’n experiment mee. Chimpansees kunnen, net als mensenkinderen van anderhalf jaar, ook zonder dat er enige beloning op korte of lange termijn tegenover staat, altruïstisch gedrag vertonen. Ze kunnen aan een andere chimpansee een stok aanreiken of aan een kind een potlood, simpelweg omdat de ander er niet bij kan. Ze doen dat bovendien herhaald, zonder dat er enige beloning tegenover staat. De wortels voor ons altruïsme gaan dus zeer ver terug. Er is dan ook geen basis voor wat de ID’er Van der Meer (in Dekker) zegt: „Goed gedrag heeft geen biologische oorzaak, maar moet geleerd worden, omdat het van nature niet vast ligt en dus fout kan gaan.” Het is tevens onbegrijpelijk dat het schitterende primatenonderzoek van De Waal en anderen betreffende de biologische basis van sociaal gedrag valt onder wat ID’er Jochemsen in Dekkers boek beschrijft als „het verschrompelen van de menswetenschappen en sociale wetenschappen tot specialisaties van de biologie”. Een beetje relativeren van de eigen, niet-onderbouwde gezichtspunten zou geen kwaad kunnen, ID’ers!

De auteur is hoogleraar in de neurobiologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is verbonden aan het Nederlands instituut voor Neurowetenschappen. Vragen en reacties kunt u sturen naar zbrieven@nrc.nl