De imam, het niets en het kerkhof

De tijd heelt niet. Wel schept de tijd ruimte om het verleden te analyseren en te archiveren. Dertig jaar geleden vond de Iraanse revolutie plaats. Met haar ving een nieuw tijdperk voor de politieke islam aan. In die periode zijn de eerste kiemen van Hamas, Hezbollah, Al-Qaeda en Mohammed B. gelegd. De ironie en pijn van deze geschiedenis zijn voor mij onverdraaglijk. Hoe zagen indertijd de betrokkenen, met name de intellectuelen, deze revolutie?

In Neauphle-le-Château (Parijs) gaf imam Khomeiny op 23 januari 1979 zijn eerste interview aan twee Iraanse pro-revolutiekranten, Etelaat en Kayhan. De eerste vraag luidde: Wat zijn de grenzen van de vrijheid van meningsuiting?

Imam: „Alles is vrij, tenzij het schadelijk is voor de natie. Alles wat schadelijk is voor de natie, zal niet vrij zijn.”

De linkse journalisten vroegen de imam niet wat hij met schadelijk bedoelde. Natuurlijk waren ze ook benieuwd naar zijn mening over vrouwen. Noeshabe Amiri, journaliste van Kayhan, vroeg aan de imam: „Is het feit dat u mij heeft willen ontmoeten, willen ontvangen, een bewijs dat onze beweging (de revolutie) een progressieve is? Anderen proberen aan te tonen dat dit een achterlijke beweging is. Denkt u dat de vrouwen hidjab (kledingsvoorschriften) moeten nakomen? Bijvoorbeeld zoiets als een hoofddoek moeten dragen?”

Khomeiny: „Heb ik u willen ontmoeten? Nee, ik heb u niet willen ontmoeten. U kwam zelf hier en ik wist niet dat u hier zou zijn. En dit is ook geen bewijs om te zeggen dat de islam progressief is. In tegenstelling tot wat sommigen denken, betekent progressief niet dat de vrouwen naar de bioscoop of naar een dancing kunnen gaan. Dit zijn progressies die ze voor jullie hebben gemaakt en daardoor hebben ze jullie achteruit geduwd. Dit moeten we in de toekomst herstellen. Progressie omvat de menselijke en innerlijke kwaliteit. En de invloed van mensen op hun land. Jullie zijn vrij in juiste zaken: om naar de universiteit te gaan, en alles wat juist is te doen. Alle burgers zijn vrij in dit soort zaken. Maar als de vrouwen dingen willen doen die in strijd zijn met de eerbaarheid (kuisheid), of schadelijk voor onze natie, dan zullen we dat voorkomen. Want dat is geen progressie.”

Noeshabe Amiri is een fantastische journalist die het helaas naliet om te vragen waaróm zij niet mocht dansen en wat eerbaarheid is. Kort na de revolutie werd zij weggezuiverd bij de krant. Nu woont zij in Parijs.

De laatste en meest intrigerende vraag luidde: „Sommige groeperingen en personen zeggen dat in plaats van de huidige tirannie een nieuwe vorm van tirannie zal opkomen. Wat vindt u hiervan?”

Imam: „Ze zijn handlangers van de sjah. Al jarenlang zeggen ze dit soort dingen, omdat ze de sjah terug willen. Jullie moeten tegen hen zeggen dat de sjah niet kan terugkeren, en als jullie de islamitische staat zien, zullen jullie zien dat in de islam de dictator helemaal niet bestaat.”

De imam werd in de hierboven genoemde kranten niet bekritiseerd. De vraag is nu hoe de imam in Iran werd ontvangen door de seculiere intellectuelen.

De prominente schrijver en jurist Ali Asghar Hadj Said Djawadi verwelkomde de imam op onnavolgbare wijze: „De imam komt. De imam komt met de stem van Noach, met de bijl van Abraham, met de hartelijkheid van Christus, en met het boek van Mohammed. Hij komt dwars door de wijde velden vol klaprozen en schreeuwt de verlossende preek van de mens uit. Wanneer de imam komt, zal niemand meer liegen, zal niemand meer een slot op zijn huisdeur zetten, zal niemand meer tol betalen aan tollenaars. De mensen worden elkaars broeders en ze zullen het brood van vreugde op een rechtvaardige en eerlijke wijze met elkaar delen.” Hoe vaak heeft de imam in gedachten moeten lachen om deze redeloze hartelijkheid! De schrijver van deze regels woont nu al 25 jaar in ballingschap in Parijs.

Jephe Meli, van de Iraanse nationaal-liberalen (een seculiere groep), schreef bij de aankomst van de imam in een pamflet: „Nu komt een man met mannelijkheid (Mardasa). In zijn lichaam stroomt het bloed van degenen die pijn hebben geleden. Bloed van alle martelaren stroomt in zijn hart. Een man die de herinnering van het lijden van een natie is. Hij is het evangelie van de verlossing voor alle lijdende naties. Hij is geen heilige, geen wonder […] Maar hij is een vastberaden persoon uit onze tijd met een ijzeren wil. Zo’n man komt. In het hele leven van de mens gebeurt alleen nu, deze ene keer, dat de zon uit het Westen naar het Oosten komt […].” Uiteraard was de imam, met extreem veel mannelijkheid, een onnatuurlijke verschijning van een ijzeren wil.

Deze liberale beweging werd kort na de revolutie als handlanger van het Westen verboden verklaard en vervolgd. En de zon? Die weerspiegelde in het Iraanse bloed dat de imam liet vloeien.

Maar wat voelde Khomeiny zélf in het vliegtuig op weg naar Teheran? Eerst ging de imam in het toestel van Air France bidden. Wat gebeurde daarna? Een aardse zaak: Ibrahim Jazdie, zijn woordvoerder, tolk, en latere minister van Buitenlandse Zaken, deed hem in het vliegtuig een kogelvrij vest om. En toen? Een westerse journalist vroeg aan de imam: „Nu, na 15 jaar ballingschap en verblijf buiten Iran, keert u terug naar uw land. Hoe voelt dat?”

De imam antwoordde kort en krachtig: „Niets.”

Meer was hij niet. Hij was ‘niets’. De imam was de negatie van alles wat nog enigszins menselijk was. De imam van het niets landde dus in het Rijk van Niets: een Iraans kerkhof. Hij was niets, en het niet-zijn vertaalde hij in de dood – de dood van tallozen.

Het Westen mag natuurlijk onderhandelen met imams van niets. Alleen valt te wensen dat het Westen achterdochtiger en intelligenter is dan het Iraanse volk dat dertig jaar geleden zoveel verwachtte van hope and change.

Reageren kan op nrc.nl/ellian (Reacties worden openbaar na goedkeuring door de redactie.)