Buitenlandse zaakjes

De Rekenkamer is steevast kritisch over het ministerie van Buitenlandse Zaken. Diplomaten bezwijken nogal eens voor ‘temptaties’. „Je moet je aanpassen aan de omstandigheden.”

Ed Kronenburg, secretaris-generaal van het ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ), is er de man niet naar om met de vuist op tafel te slaan of zelfs maar zijn stem te verheffen. Toch toont de hoogste ambtenaar van BZ zich in zijn werkkamer geërgerd. „Wat mij steekt, is de veronderstelling dat op dit ministerie met opzet wordt gerommeld. Dat is ten enenmale onjuist.”

Kronenburg (1951) is nog steeds boos op de Algemene Rekenkamer. Vorig jaar velde dit Hoog College van Staat, dat controleert of de rijksoverheid het geld van de burger juist en nuttig besteedt, een hard oordeel over de cultuur bij BZ.

Het ministerie heeft volgens de Rekenkamer een cultuur om „de grenzen van de regels op te zoeken en die soms te verleggen of te overschrijden”. In- en externe regels worden structureel veronachtzaamd. De Rekenkamer spreekt onomwonden over „creatief omgaan met regels”.

De kritiek van de Rekenkamer staat niet op zichzelf. Vorig jaar bleek dat het ministerie, tegen de regels in, oud-minister voor Ontwikkelingssamenwerking Eveline Herfkens vergoedingen had gegeven in haar nieuwe functie bij de Verenigde Naties.

Vorige week meldde deze krant dat Buitenlandse Zaken al decennia lang ‘wisselkantoor’ is voor de KLM. De luchtvaartmaatschappij sluist via de kas van ambassades opbrengsten uit landen met valutarestricties naar Nederland. Ed Kronenburg zei in een reactie dat hij er een einde aan maakt.

Tegelijk bleek BZ in ontwikkelingslanden omstreden constructies te gebruiken om diplomatenwoningen te huren. De verhuurders ontvangen hun geld, buiten het zicht van de lokale autoriteiten, in Zwitserland of Luxemburg. De constructies liggen vast in sideletters. Het ministerie werkt zo mee aan belastingontduiking en het creëren van een zwartgeldcircuit. De bewindspersonen Verhagen (Buitenlandse Zaken, CDA) en Koenders (Ontwikkelingssamenwerking, PvdA) moeten hierover nog uitleg geven aan de Tweede Kamer.

De vraag is: hoe kon deze door de Rekenkamer gesignaleerde cultuur ontstaan? NRC Handelsblad sprak erover met (oud-)medewerkers van BZ en diplomaten die niet altijd geciteerd kunnen worden. BZ heeft van oudsher een elitaire, corporale cultuur. Het ministerie is een eigen wereld, met eigen spelregels.

Als Eylard van Hall, ambassadeur in Nieuw-Zeeland in de jaren zestig, wilde gaan varen in de baai van Wellington, moest derde secretaris Jan Fietelaars de motor van de boot een uur van tevoren warm laten draaien. Dan kon de ambassadeur meteen weg. De verhoudingen op de ambassade waren bijkans feodaal. Zo was de sfeer op de meeste diplomatieke posten.

Maar Fietelaars, zoon van een instrumentenmaker, ontdekte in 1966 hoe Van Hall de residentie in brand had gestoken om een fraude toe te dekken. Hij meldde dat bij het ministerie in Den Haag. „Het werd Fietelaars niet in dank afgenomen dat hij zijn baas erbij lapte”, weet Hans Meesman, oud-ambassadeur in Washington. De derde secretaris kreeg een strafoverplaatsing. Pas daarna zocht het ministerie de kwestie uit. Van Hall werd in 1967 discreet teruggeroepen.

De in 2004 overleden Fietelaars maakte later toch nog carrière. Hij schopte het tot ambassadeur en was als inspecteur belast met de controle van de diplomatieke posten. Vlak vóór hij in 1981 inspecteur zou worden, schreef een groep ambassadeurs een brief naar het departement, in een poging zijn benoeming te voorkomen. Een van de argumenten was dat Fietelaars zich in de kwestie-Van Hall schuldig gemaakt had aan „regicide” oftewel koningsmoord.

Lange tijd was de wereld van BZ overzichtelijk. Je had ambtenaren op het ministerie in Den Haag en je had diplomaten op de 150 ‘posten’ in het buitenland, geworven via het eigen ‘klasje’. De diplomaten hadden het voor het zeggen, ook in Den Haag. Ze bemanden de hoogste functies op het ministerie. „De machtspositie van het diplomatieke korps was enorm”, zegt Jan Wijenberg, voormalig ambassadeur in Saoedi-Arabië. „Diplomaten zaten door coöptatie op elke cruciale positie.”

Oud-ambassadeur Paul Lagendijk (Saoedi-Arabië) denkt met heimwee aan zijn loopbaan terug: „We waren een groep die zich verwant met elkaar voelde. We zaten in dezelfde schuit en we hadden alles over voor de dienst. Je moest ook naar moeilijke landen met je gezin. Veel vragen werden niet gesteld.”

De eigen spelregels staan in een boekje dat jonkheer Jan Huydecoper van Nigtevecht, oud-ambassadeur te Londen, schreef. Het werd in de jaren negentig uitgedeeld in het opleidingsklasje. Het boekje beschrijft het leven van de klassieke diplomaat in krijtstreeppak en zijn echtgenote. Hoe nieuwkomers juichbrieven sturen aan de chef de poste en hoe echtgenotes hun opwachting maken bij de vrouw van de ambassadeur („de eerste keer niet langer dan een half uur blijven”). Van groot belang, volgens de spelregels, is het om „nooit aanstoot” te geven.

Oud-ambassadeur Joop Jeurissen (New Delhi) maakte het mee. „Toen ik in 1967 in dienst kwam was er een cocktail waarop ook mijn vrouw een beoordeling kreeg. Hoe bewoog ze zich door het gezelschap? Als je later een inspectie van je post kreeg, dan stond in het inspectierapport ook een passage over je echtgenote.”

De spelregels gaan ook over drankgebruik. „Jammer genoeg leert de ervaring, dat te veel collegae in soms moeilijke omgevingen zijn vervallen in overmatig drankgebruik, wat maar al te dikwijls tot een verslaving heeft geleid. Ook hierin moet de diplomaat zich meester van zichzelf tonen tegenover temptaties, die hem door het bevoorrechte leven dat hij leidt, worden gesteld.”

Oud-ambassadeur Wijenberg vertelt hoe een Nederlandse ambassadeur in het Verre Oosten regelmatig dronken was. De personeelsdienst durfde er na lang aarzelen iets aan te doen. Wijenberg: „Maar toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Chris van der Klaauw (1977-1981, VVD), zelf oud-diplomaat, weigerde het ontslagbesluit te tekenen. Hij zei: ‘Nee, hij is een van ons.’”

Het groepsgevoel werkte verlammend. Een diplomaat: „Je sprak collega’s niet aan op het overtreden van regels, omdat je elkaar bij elke overplaatsingsronde weer nodig had. Het is net als in een militaire organisatie. Wie generaal wordt, bepalen andere generaals.” Een andere bevestigt: „Veel interne kritiek was er niet. Die hield je voor je, omdat je nog verder moest met je carrière.”

Adviesbureau KPMG analyseerde in 1999: BZ heeft een „zekerheidzoekende, mijdende cultuur, gericht op het behouden van wat er is”. BZ-ambtenaren zijn „bang om initiatief te nemen”. „Opvallen kan negatieve consequenties hebben en wordt gezien als het hoofd boven het maaiveld uitsteken. (..) Er is angst in de organisatie; het is onzeker wat ‘men’ van je verwacht. Overleven en ‘laveren’ is belangrijk”, zei toenmalig onderzoekster Nicoline Carstens in het interne BZ-blad. Ze gaf het ministerie een advies: „Die angst, daar moet u vanaf!”

Nog steeds speelt angst een rol, schreef een diplomaat onlangs in HP De Tijd. Zijn – anonieme – analyse sluit aan bij die van KPMG: „Ook zonder nader onderzoek is wel duidelijk dat veel diplomaten worden gedreven door angst voor een verbanning naar een oninteressante functie in Den Haag. De beste manier om niet in deze nachtmerrie te belanden, is iedere kritiek, of wat er maar op lijkt, in te slikken.”

Secretaris-generaal Ed Kronenburg begrijpt niet „waar dat verhaal over de angstcultuur vandaan komt”. „Ik hoor dat er mensen in onze organisatie zijn die denken dat ze door initiatieven te nemen of tegendraads te zijn, hun kansen op een nieuwe post verkleinen. Ik herken dat niet.”

Esprit de corps en groepsgevoel worden versterkt door de structuur van het ministerie. Anders dan andere ministeries, is BZ een bedrijf met veel filialen. De helft van het personeel verblijft in het buitenland. De afstand tot Den Haag maakt de organisatie moeilijker beheersbaar. Tegelijk begeven diplomaten zich in vreemde culturen en gewoonten, staan ze bloot aan verlokkingen en, soms, ontberingen.

Een van de gevaren is het versmelten van persoon en functie. Een ex-diplomaat: „Een ambassadeur leeft in een mooie residentie omdat hij representant van Nederland is. Als je dat twintig jaar doet, denk je dat het je eigen huis is. Dan meen je dat je daar recht op hebt en neem je de regels niet meer zo nauw.”

Daar komt bij dat er aanvankelijk geen uitgebreide, interne controle was. De inspectiedienst, bevolkt door collega-diplomaten, kwam om de paar jaar alleen kijken hoe de ambassade eruit zag en of het personeel tevreden was.

Corpsgeest, coöptatie, weinig controle en veel filialen. Het leidde tot een verhoogd risico op ‘temptaties in het bevoorrechte leven van de diplomaat’. Niet alleen ten aanzien van drank, zoals Huydecoper schreef, maar ook ten aanzien van regels.

Diplomaten schetsen het beeld van een ministerie dat in de praktijk pragmatisch („losjes”) met de regels omgaat. In het buitenland botsen regels uit Nederland met de praktijk, en staan diplomaten soms voor een dilemma. De soepelheid heeft vaak een praktische reden, zegt oud-ambassadeur Lagendijk. „Je moet je in het buitenland aanpassen aan de omstandigheden.”

De soepele omgang met de regels leidde ook tot individueel misbruik. De ambassadeurs grossieren in verhalen over hoe uit residenties en ambassades kunst en antiek, rijksbezit, verdween; hoe gehandeld werd in belastingvrij gekochte auto’s en goederen; hoe verdiend werd aan valutakoersen, hoe hier en daar de hand in de ambassadekas ging en visa te koop bleken.

Oud-ambassadeur Meesman herinnert zich hoe in de jaren zeventig in Kaapstad, Zuid-Afrika, na het vertrek van de ambassadeur een antieke oud-Hollandse kroonluchter en een vleugel uit de ambtswoning waren verdwenen. „Dat is gemeld, maar er is – voor zover ik weet – nooit iets mee gedaan.”

In de jaren negentig gebeurde dat ook in Moskou na het afscheid van de ambassadeur. Een diplomaat, destijds in Moskou: „Op de inventarislijst stonden kastjes en vazen die er niet waren. Onderzoek is niet gedaan.”

Oud-ambassadeur Wijenberg zag „ernstige fraudezaken”, zoals twee diplomaten die miljoenen verdienden aan valutahandel via de ambassadekas. „Een van de twee was een diplomaat uit het klasje. Hij zat een tijdje in het verdomhoekje en is daarna weer in genade aangenomen. Zo ging dat in die tijd.”

Sinds de affaire-Van Hall veranderde de wereld om BZ heen ingrijpend. De Muur viel, Europa integreerde, de wereld mondialiseerde. Het werk veranderde, net als de eisen voor de bedrijfsvoering. Maar de transformatie van ouderwetse loopbaandienst naar moderne managersdienst verloopt moeizaam. De corporale cultuur is hardnekkig. Het ministerie is nog steeds verwikkeld in het veranderingsproces. Al tientallen jaren volgen herijkingen, taakstellingen en reorganisaties elkaar op.

De reeks begon dertig jaar geleden met de ‘opstand der referendarissen’. Deze hoge departementsambtenaren pikten het in de jaren tachtig niet meer dat hun carrière geblokkeerd werd door de diplomaten – de klasjesmensen – die onderling de banen verdeelden.

De opstand was de aanzet tot de integratie van de buitenlandse dienst in het departement. BZ werd één ministerie. De integratie riep weerstand op bij diplomaten die hun carrièrekansen beknot zagen. De ‘bureaucraten’ mochten voortaan ook ‘naar buiten’.

De goedbetaalde diplomaten lieten zich niet zomaar inpassen in de gewone salarisschalen voor rijksambtenaren. Dat probleem werd gladgestreken. Om het inkomen op peil te houden, kwamen er toelagen. Zo was er – naast het belastingvrij inkopen en het goedkoop en riant wonen – extra geld voor huispersoneel, onderwijs- en internaatskosten, representatie en allerlei ongemakken. Allemaal belastingvrij.

Minister van Buitenlandse Zaken Hans van den Broek (1982-1993, CDA) doorbrak de diplomatenhegemonie. Hij benoemde in 1992 voor het eerst een buitenstaander tot secretaris-generaal, tot onvrede van de diplomaten. Dirk Jan van den Berg kwam van het ministerie van Economische Zaken.

Van den Broek: „Hij had een uitmuntende reputatie, was internationaal georiënteerd en sterk in management. Van den Berg heeft er werk van gemaakt, van het moderniseren van de administratie. Hij bracht verfrissing in de organisatie.”

Van den Berg, tegenwoordig voorzitter van het college van bestuur van de TU Delft, trof een administratieve puinhoop aan. „Het financieel beheer was niet op orde. Bijvoorbeeld: er lagen 16.000 dossiers met ontwikkelingsprojecten in de kast die niet of niet goed waren afgesloten. Terwijl het de bedoeling was dat we wisten hoe het ontwikkelingsgeld besteed was”, aldus Van den Berg.

In 1994 kwam er een ‘herijking’ van het beleid. Weer ging de organisatie op de schop. „Dat was nodig”, vertelt Van den Berg, „Want er liep een kloof door het departement. Ontwikkelingssamenwerking had een enorm budget en eigen directies voor financiën, personeel en beleid. Daarnaast was er het veel kleinere Buitenlandse Zaken, ook met eigen directies.”

De directies van BZ en Ontwikkelingsamenwerking werden samengevoegd en het ‘klasje’ werd gemoderniseerd, na kritiek van KPMG dat het te elitair was.

Ondanks de inspanningen van Van den Berg bleef de Algemene Rekenkamer kritische rapporten schrijven. Over „ernstige tekortkomingen” in het financiële beheer. Over het „niet naleven van de voorschriften”. Over diplomaten die in te dure woningen wonen.

Aangespoord door de Rekenkamer is het ministerie alerter geworden op het naleven van regels. Medewerkers komen soms zelfs voor de strafrechter, al leidt dat niet altijd tot een veroordeling. Zo sprak de rechtbank twee diplomaten van de ambassade in Peking in 2004 vrij van corruptie en valsheid in geschrifte.

Tijdens hun proces bleek dat de ambassade zelf iets op haar kerfstok had. In strijd met de regels moesten Chinezen die een visum wilden hebben, een opslag betalen voor fictieve kosten. Het extra geld dat zo binnenkwam, ging in een potje voor de aanleg van het zwembad van de ambassadeur, verklaarde ambassadepersoneel tegen de rijksrecherche. Volgens het ministerie is destijds ‘de praktijk van opcenten’ beëindigd, zonder personele consequenties.

De controle op de posten in het buitenland is verbeterd. Sinds tien jaar zijn de inspectierapporten kritischer en omvangrijker, zegt het ministerie. Maar inspectierapporten hebben niet altijd effect. Zo waarschuwde inspecteur (en later ambassadeur) Wim Wessels eind 2000 voor problemen bij de ambassade in Jakarta, Indonesië. Vooral de visumverlening was een risico. Die diende snel „meer waterdicht” gemaakt te worden. Fons Stoelinga, nu plaatsvervangend secretaris-generaal bij BZ, was destijds plaatsvervangend chef de poste. Volgens het ministerie heeft hij er alles aan gedaan om het visumtraject op orde te krijgen. Drie jaar later bleek dat vijf medewerkers toch hadden gefraudeerd met visa. De vijf kregen ontslag. De kwestie is nooit in de openbaarheid gebracht.

Het was voormalig secretaris-generaal Flip de Heer die na zijn aantreden in 2005 van het naleven van regels een speerpunt maakte. Dat gebeurde, nadat, alweer, de Algemene Rekenkamer de aanbeveling had gedaan het integriteits- en sanctiebeleid aan te scherpen. Onder zijn leiding sloeg de regelzucht toe, verzuchten de ambassadeurs. De aanpak van De Heer was bruusk en leidde vorig jaar tot een heimelijke opstand, dit keer van de diplomaten zelf.

De Heer had de declaratieregels verscherpt. Voortaan moesten bonnetjes worden overhandigd, ook van de kleinste uitgaven. En hij versoberde de vergoedingen. Dat leidde tot wrevel. Maar de manier waarop de secretaris-generaal medewerkers behandelde, zette nog het meeste kwaad bloed. Tot dan toe was doorgaans omzichtig omgesprongen met diplomaten. Onder de Flip de Heer veranderde dat.

Oud-ambassadeur Wim Wessels (Costa Rica): „Ik had niet verwacht dat Flip de Heer zo’n harde baas zou worden. Waar het echter om integriteit gaat, kan de ambtelijke leiding niet strikt genoeg optreden”. Een collega zegt: „Hij reageerde impulsief. Iemand kon voor iets onnozels zijn ontslag krijgen. De Heer heeft dat integriteitsbeleid te zwaar aangezet.”

Zeker vijftien diplomaten moesten vroegtijdig weg. Ter illustratie wijzen de ambassadeurs naar Maarten van der Gaag. De oud-ambassadeur in Trinidad en Tobago moest in 2006 het veld ruimen.

In een restaurant in zijn woonplaats Barcelona zit Van der Gaag (1944) achter zijn dossier en steekt zijn handen omhoog: „Het is nu drie jaar geleden, maar het blijft rondzingen in mijn hoofd.”

Wat was er gebeurd? De ambassadeur was in 2005 door de commissaris van de koningin in Zeeland gevraagd een tentoonstelling over het Caraïbische eiland Tobago te openen in Vlissingen. De tentoonstelling volgde op een door Van der Gaag georganiseerde manifestatie in Tobago, ter herdenking van de historische banden met Zeeland. Om in Vlissingen te komen, vond de ambassadeur Martinair bereid zijn ticket te sponsoren. Het bedrijf was betrokken bij de Tobago-manifestatie en had sponsorgeld toegezegd. De ambassade zelf had onvoldoende budget.

Nog voor Van der Gaag het ticket kon aannemen, moest hij zich melden in Den Haag. Daar kreeg hij te horen dat hij kon opstappen. Dat staat in het gespreksverslag dat de personeelsdienst maakte. „Ik kwalificeer het als aftroggelen van een gratis dienst, waarbij je misbruik maakt van je positie”, zei het plaatsvervangend hoofd van de personeelsdienst volgens het verslag.

Het oordeel stond al vast. Het verslag: „Je moet eerder terug. Je hebt niet voldoende door hoe je anno 2005 in dit soort zaken de Nederlandse Staat moet vertegenwoordigen.” Van der Gaag, onvoorbereid en overdonderd, probeerde duidelijk te maken dat hij te goeder trouw was en slechts, zoals bij BZ gebruikelijk, een creatieve oplossing gezocht had: „Ik heb niets gedaan om mezelf te verrijken”. Het hielp niet.

Van der Gaag, nu: „Ik vond het onvoorstelbaar onrechtvaardig. Ik had 36 jaar bij de dienst gewerkt, maar kreeg geen gelegenheid om mij te verdedigen. Het besluit lag er al. De secretaris-generaal wilde me niet eens ontvangen.”

Oud-diplomaat en VN-gezant Peter van Walsum probeerde te bemiddelen. Hij mailde De Heer: „Ik heb het gevoel dat het op zichzelf gerechtvaardigde en noodzakelijke optreden tegen tekortkomingen in integriteit hier is ontspoord.” Het had geen effect.

Terwijl BZ strikte naleving van de regels eiste, hield het ministerie zichzelf niet aan de regels. Een ambassadeur: „De personeelsdienst gaf inspecteurs opdracht verslagen te maken die bruikbaar waren in een ontslagdossier. Men stuurde ook spionnen naar posten. Die rapporteerden via speciale postbussen. Heel Oost-Europees.”

Zo lagen diplomaten in Boedapest, Madrid en Athene onder schot.

In Athene kregen in 2006 medewerkers telefoon van de personeelsdienst: of ze heimelijk negatieve informatie wilden leveren over een collega. Een inspectiebezoek werd gebruikt om een ontslagdossier op te stellen. Hoor en wederhoor ontbraken. Volgens ambassadeur Hans Förster schond BZ daarmee „de beginselen van behoorlijk bestuur”. Hij diende een klacht in tegen de secretaris-generaal. Toen die werd afgewezen, stapte hij naar de Nationale Ombudsman.

Ombudsman Alex Brenninkmeijer noemt de gang van zaken in Athene desgevraagd „inderdaad niet gelukkig”. Brenninkmeijer: „Maar het is naar tevredenheid opgelost. Secretaris-generaal Kronenburg (opvolger van Flip de Heer, red.) heeft gezegd het in de toekomst anders te doen. Dat is een duidelijk signaal.” De collega in Athene tegen wie de actie van de personeeldienst gericht was, kreeg een financiële compensatie en een nieuwe standplaats.

Andere diplomaten hadden dat geluk niet. Om plaats te maken voor jongere collega’s kregen diplomaten van 61 jaar en ouder geen nieuwe ‘post’ meer. Dat merkte consul-generaal Joop Corijn (Vancouver). Hij hoorde in 2007 van de personeelsdienst dat hij als 62-jarige „te oud” was voor een nieuwe post. Corijn stapte naar de Commissie Gelijke Behandeling. „Je voelt je bij de vuilnisbak gezet”, zegt hij.

Corijn kreeg gelijk. BZ had verboden onderscheid op grond van leeftijd gemaakt. De commissie wees ook op het creatief omgaan met de regels door BZ. Voormalig Kamervoorzitter Frans Weisglas mocht immers in 2007 wél nog ambassadeur in Zwitserland worden, hoewel ook 62 jaar oud. De commissie: „Hieruit blijkt dat de regels onder omstandigheden soepel kunnen worden toegepast.”

Peter Nicolaï, hoogleraar bestuursrecht en advocaat, trad op namens twee andere diplomaten die hun baan verloren. In beide gevallen heeft het departement een schikking getroffen en hen schadeloos gesteld. Nicolaï: „Ik sta wel te kijken hoe met mensen op dat niveau wordt omgesprongen.”

Naarmate BZ meer regels oplegde en meer diplomaten aanpakte, groeide de weerstand tegen Flip de Heer. Diplomaten vertellen hoe ze hun klasjes-netwerk activeerden, tot in de ‘bloedraad’ toe. Dat zijn de vier directeuren-generaal. Oud-ambassadeur Lagendijk: „Het verzet was breed. Grootste grief was dat loyaliteit en solidariteit de nek waren omgedraaid.”

In september 2007, twee jaar nadat hij gekomen was, verdween Flip de Heer opeens. Officieel om gezondheidsredenen. Intern was duidelijk dat zijn positie onhoudbaar was. De cultuur was te weerbarstig gebleken.

De secretaris-generaal had het ook verbruid bij zijn politieke leiding. Vlak vóór de komst van het nieuwe kabinet in 2007 gaf De Heer namelijk in ambtelijk topoverleg de portefeuille internationaal cultuurbeleid weg aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Cultuurambassadeur Jan Hoekema („Ik zat in een oorlog”) verzette zich tevergeefs. Hij is nu burgemeester van Wassenaar.

Hoekema: „Het was politiek weinig tactvol maar ook inhoudelijk onverstandig om de portefeuille van Frans Timmermans, beoogd staatssecretaris voor Europese Zaken, uit te kleden. Na de installatie van het kabinet is het besluit van De Heer terecht teruggedraaid.” De Heer is nu ambassadeur in Japan en wil niet reageren.

Met de benoeming van Ed Kronenburg tot secretaris-generaal, elf maanden geleden, zoekt Buitenlandse Zaken naar een nieuwe balans. Een balans tussen rust in de tent en het naleven van regels.

Kronenburg, zelf diplomaat, luisterde naar de klachten en versoepelde het beleid van zijn voorganger. Tegelijkertijd staat hij voor de taak om in vier jaar 400 banen te schrappen in opdracht van het kabinet. Het postennet, dat erg groot is – bijna even groot als dat van Duitsland –, wordt verkleind. Kronenburg sluit de consulaten-generaal in Montreal, Frankfurt en Hamburg. Dit jaar wordt beslist over mogelijke sluiting van andere diplomatieke posten.

De nieuwe reorganisatie brengt nieuwe onzekerheden, maar de diplomaten hebben alvast met gejuich het besluit van Kronenburg ontvangen dat hij een einde maakt aan de „bonnetjescultuur”.

„Het controleren van de declaraties kost onevenredig veel menskracht”, reageert Kronenburg. „We controleren niet meer elk bonnetje. Dat kan ook steekproefsgewijs. Uitgangspunt is dat ik mijn ambassadeurs vertrouw.”

Reacties naar buitenlandsezaken@nrc.nl