Beter dan niks

Microkredieten zouden dé manier zijn om de allerarmsten te helpen. Heeft de kleine lening de speelgoedmaker geholpen? En hoe staat het met het winkeltje van Mulyati?

Tot voor kort bestond de band met mijn leners alleen uit mailtjes. Elke week een update: automonteur Nabi Nazirov uit Azerbaidzjan heeft weer 1,78 dollar terugbetaald, varkenshouder Mom Kun uit Cambodja 2,09 dollar. Net als aan een aantal andere kleine ondernemers in ontwikkelingslanden had ik hun via microkredietsite Kiva.org geld geleend om hun zaakje uit te bouwen. Zodat ze meer geld konden verdienen voor gezond eten, de school van hun kinderen of een leefbaar huis.

Maar gebeurde dat eigenlijk wel? Al sinds mijn eerste krediet via Kiva was ik nieuwsgierig hoe het de make-upverkoopsters, internetcaféhouders of kleermakers die ik geld leende verging. Of de investering die ze wilden doen uitpakte zoals ze hadden verwacht. Of ze niet in problemen kwamen door hun schuld. In hoeverre ze meer verdienden dankzij de lening. En, natuurlijk: waar gaven ze die extra winst aan uit?

Vandaar dat ik kort geleden een e-mail stuurde naar stichting Dinari, de tussenpersoon tussen Kiva en twee van mijn leners: Nawawi en Mulyati uit Indonesië. Kon ik hen niet opzoeken? Het antwoord liet verdacht lang op zich wachten, maar na een extra telefoontje was de Balinese microkredietverstrekker bereid tot medewerking. Een paar weken later zat ik achterop de brommer in een niet-toeristisch deel van Bali, op weg naar Nawawi.

Ik had het gevoel dat ik Nawawi al een beetje kende. Bij zijn profiel op Kiva.org stond hij op de foto met een brommer met een grote doos achterop, in zijn hand een vel karton met speelgoed erop vastgemaakt. Zijn verhaal viel mij op tussen de honderden anderen, omdat hij iets origineels verkocht: speelgoed. En omdat hij vier mensen in dienst had. Nawawi wilde 450 dollar lenen om meer personeel in dienst te kunnen nemen en meer nieuw speelgoed in te kopen. Een man met ambitie, vond ik, en met drie muisklikken leende ik hem 25 dollar. Andere Kiva-bezoekers leenden hem binnen een halve dag de rest.

Mijn nieuwsgierigheid naar zijn wel en wee was aangewakkerd door de toenemende kritiek op microkrediet. Twee jaar geleden werd het nog gebracht als het ultieme instrument van de armoedebestrijding. Het jaar van het microkrediet was toen net voorbij, prinses Máxima wierp zich op als ambassadeur van de kleine lening en Muhammad Yunus, oprichter van de Grameen Bank voor microkrediet in Bangladesh, won de Nobelprijs voor de Vrede. Microkrediet zou goed zijn voor bijna alles: van gezondheidszorg tot onderwijs tot empowerment van vrouwen. Traditioneel ontwikkelingswerk leek opeens hopeloos ouderwets, want wie wisten nu beter wat arme mensen nodig hebben dan die mensen zelf?

Maar zoals met alle hypes kwam al snel het kritische geluid. Microkredieten bleken duur. De 20 procent rente van de Grameen Bank stelde Muhammad Yunus al in een kwaad daglicht, maar volgens de Asian Development Bank is dat in dit wereldje bijna te geef: de gemiddelde rente bij microkredietverstrekkers bedraagt 30 tot 70 procent op jaarbasis.

Dat is niet zonder reden, vermeldt de organisatie erbij. Omdat de leningen zo klein zijn, hebben microkredietverstrekkers per uitgeleende euro veel personeel nodig voor het vaststellen van de kredietwaardigheid van de lener en het beheren van de lening. Er moet worden gecompenseerd voor degenen die niet terugbetalen, want dat microkrediet altijd wordt terugbetaald is een mythe. En lenen aan armen is een tijdrovende zaak. Voor het innen van de wekelijkse of maandelijkse afbetalingen moet meestal iemand persoonlijk langsgaan, wat in landen met slechte wegen en oude brommers veel tijd en benzine kost.

Met dit in het achterhoofd werd ik bij aankomst op het kleine erf van Nawawi aangenaam verrast: er stond een auto. En inderdaad, Nawawi bleek een waar succesverhaal voor het microkrediet. Op een kleedje in zijn voorkamer vertelde hij hoe hij dankzij enkele leningen grond-, brommer- en autobezitter is geworden.

Toen zijn gezin in 2001 vanuit het armere Oost-Java naar Bali verhuisde, werkte Nawawi eerst in de bouw en als straatverkoper van bubur, Indonesische rijstpap. Het was een arm bestaan, vertelt zijn vrouw Ardi. „Met mijn dochter kon ik elke dag maar één ons rijst en voor 2.000 roepia aan vis betalen.” Nawawi woonde bij zijn baas.

Vier jaar geleden werd Nawawi verkoper van speelgoedloterijtjes: stukken karton met speelgoed en snoep erop vastgemaakt, die in veel kleine winkeltjes in Indonesië hangen. Kinderen kopen een nummertje en zien dan welk cadeautje erbij hoort. Niet lang daarna wilde Nawawi zijn eigen speelgoedbedrijf beginnen.

Zijn spaargeld van 2,5 miljoen roepia (170 euro) was niet genoeg voor de inkoop van het speelgoed en de huur van opslagruimte, dus kwam hij via een vriend terecht bij stichting Dinari voor zijn eerste lening. Gaandeweg kon hij uitbreiden naar meer winkels. Nu hangt er in wel tweeduizend Balinese toko’s een speelgoedloterij van Nawawi. Hij heeft zes verkopers die de speelgoedloterijen langs brengen, zoals hijzelf is begonnen. Drie familieleden uit Java zijn overgekomen voor het in elkaar zetten van de loterijen en het stempelen van de lootjes.

De leningen hielpen Nawawi om zijn zaak elke keer een beetje uit te breiden. Een keer 4 miljoen roepia (256 euro) voor een brommer, zodat hij weer een nieuwe verkoper kon aannemen. Een keer 7 miljoen (348 euro) voor de huur van een groter huis met opslagruimte, waar hij nu woont met zijn gezin en drie werknemers. Met de laatste lening heeft hij zijn zesde brommer gekocht.

Het succes van Nawawi valt deels toe te schrijven aan de relatief lage rente die Dinari heft: 3 procent per maand. Maar Dinari is dan ook een stichting zonder winstoogmerk en draait met verlies. Dinari-directeur Nyoman Irianto Wibawa laat weten dat zijn stichting wordt gefinancierd door de renteloze leningen via Kiva, door leningen van sociale instellingen en door giften. Maar er zijn microkredietinstellingen die voor hun kapitaal zijn aangewezen op gewone investeerders. Irianto Wibawa: „Kapitaalverstrekkers zien microkrediet als een manier om winst te maken en hebben een zakelijke benadering. Terwijl we om de armen te helpen een sociale aanpak moeten kiezen en ook bereid moeten zijn ons geld te verliezen.”

Toch heerste tot voor kort consensus dat microkredietverstrekkers winstgevend zouden moeten zijn. Door winst te maken, konden ze groeien en nóg meer armen bereiken. Bovendien vond men dat microkrediet aantrekkelijker moest worden voor gewone banken, die het bereik verder konden vergroten.

Maar door die hoge rentes werd twijfelachtig of microkrediet altijd opleverde waar het voor bedoeld was: het verbeteren van de levensstandaard van arme mensen. Hier en daar doken doemverhalen op, van armen die gevangen zaten in hun schulden en het ene gat met het andere bleven vullen. Van microkredietverstrekkers die te rigoureus te werk gingen bij het innen van hun leningen. In de Indiase staat Andhra Pradesh protesteerden vrouwen tegen de ‘woekerrentes’ van microkredietinstelling Share.

Maar toch: die woekerrentes zijn meestal wel lager dan de rentes die armen zouden moeten betalen aan de informele kredietverstrekkers op wie ze anders aangewezen zijn. Want daar is het bij microkrediet om begonnen: zonder onderpand kunnen arme mensen geen lening krijgen bij gewone banken.

Mulyati uit Denpasar had al ervaring met zo’n informele kredietverstrekker, die men in Indonesië rentenier noemt. Ook Mulyati had ik een klein jaar geleden met een paar muisklikken 25 dollar geleend, voor het uitbreiden van haar winkeltje. Ze was eerst huisvrouw, maar dankzij enkele leningen verdient ze met haar zaakje nu meer dan haar man, die in de bouw werkt. Met elke lening van 1,5 miljoen roepia kocht ze weer nieuwe waar in. Blikjes drinken, oploskoffie. Met haar laatste lening heeft ze pakjes sigaretten gekocht: de laatste uitbreiding in haar assortiment.

Voordat ze wist dat Dinari bestond, had Mulyati geld geleend bij een rijke man uit de buurt. Elke dag kwam er iemand langs en moest ze 20.000 roepia (1,35 euro) afbetalen. In twee maanden moest alles zijn betaald, mét 20 procent rente. Haar lukte dat, dus werd de behandeling voor wanbetalers haar bespaard: een boze, schreeuwende afgezant van de schuldeiser die wanbetalers voor de hele buurt te kijk zet.

Daarna kwam Mulyati via via terecht bij Dinari en kon ze haar omzet vergroten. In 2004 was haar winst nog 30.000 roepia per dag (2,10 euro), nu haalt ze de 130.000.

Opnieuw een succesverhaal, dus. Maar volgens Budi Sucahya Bagus van stichting Dinari had ik met Nawawi en Mulyati wel geluk. „Slechts 10 procent van onze cliënten is vergelijkbaar, de rest is armer.” Zij hebben meer moeite om hun lening om te zetten in een succesvolle zaak. Zo helpt Dinari veel verkopers van recyclebaar afval. Zij moeten dat afval inkopen bij huisvrouwen en kunnen daarvoor geld lenen bij Dinari. Maar soms bulldozert de lokale overheid tijdens de leenperiode hun hutjes plat, waar ze illegaal wonen, en betalen ze hun lening niet af. Sucahya Bagus: „Vijf procent van het uitgeleende geld krijgen we nooit terug.”

Verschillende onderzoeken bevestigen dat microkrediet niet de manier is om de allerarmsten te bereiken. Die missen over het algemeen de vaardigheden om een lening om te zetten in een zaakje dat méér winst oplevert dan de maandelijkse rente. De landbouw blijkt sowieso bijna nooit aan die eis te kunnen voldoen, volgens de Asian Development Bank. Kleine handeltjes wel, zoals die van Nawawi en Mulyati.

Zij zijn er dankzij de kleine leningen in elk geval flink op vooruit gegaan. Mulyati trakteerde zichzelf op gouden sieraden en zegt: „Vroeger kon ik mijn kinderen niet meenemen naar de kermis, dat kan nu wel”.

En voor Nawawi en zijn vrouw ligt de tijd van één ons rijst per dag ver achter hen. In hun huis liggen enorme zakken rijst voor henzelf en het personeel, afkomstig van hun eigen stuk land in Oost-Java. Dat hebben ze gekocht met hun spaargeld. Ze hebben een auto, voor als Nawawi naar verre winkels moet rijden. Op het verlanglijstje staat nog het bouwen van een huis. En, zegt Nawawi: „Mijn dochter zit nu in de eerste klas van de lagere school. We willen sparen zodat we haar naar de hoogst mogelijke opleiding kunnen sturen.”