Zoeken naar een modernere versie van het begrip cultuur

‘Dutchness’ bestáát, concludeert de Amerikaanse socioloog Ron Eyerman in een boek over de moord op Theo van Gogh. De polemiek over de ‘hardheid’ van Nederlandse identiteit duurt voort, getuige een aantal binnenlandse pamfletten en twee Amerikaanse onderzoeken.

Steven Lukes: Moral Relativism. Profile, 176 blz. €15,-

Aan slagwoorden bestaat geen gebrek in de polemiek over cultuur, nationale identiteit en integratie die hier nu al jaren tegen de kades klotst. Verwijten van relativisme en verraad aan de eigen cultuur aan de ene kant, en van intolerant monoculturalisme en nationalisme aan de andere kant, vliegen over en weer. Maar inmiddels gaan ook stemmen op van publicisten die voorbij de polarisatie van mono- en multiculturalisme een nieuwe uitweg zoeken. Daarbij kunnen de bijdragen nuttig zijn van vakfilosofen en sociologen die iets verder van de publicitaire hitte afstaan.

Het overzichtelijke boek van Steven Lukes, hoogleraar sociologie aan de universiteit van New York, over moreel relativisme en de dilemma’s van een multiculturele wereld, is zo’n nuttige bijdrage aan dit debat. Het is compact en helder geschreven, als deeltje in de reeks ‘Grote Ideeën’. Lukes fileert de argumenten voor en tegen moreel relativisme, maar gaat zich niet te buiten aan retoriek en wentelt zich ook niet in het tobberige jargon van onze neo-Huizinga’s.

Moreel relativisme beweert dat morele regels alleen geldigheid hebben binnen een bepaald domein, bijvoorbeeld een groep mensen, een tijdvak of een cultuur. Lukes verwerpt dat relativisme, zoals de meeste filosofen, en geeft de argumenten ertegen helder weer. Het druist bijvoorbeeld in tegen de universele aanspraak van moraal: mensen keuren de moord op onschuldigen af omdat ze het slecht vinden, niet omdat ze het slecht vinden ‘in onze cultuur’.

Bovendien laat relativisme de dilemma’s waardoor het gevoed wordt – de keus uit twee moreel verdedigbare, maar tegenstrijdige handelingsopties – eerder verdwijnen dan dat het ze verheldert. Als euthanasie immers met recht gezien wordt als de juiste handeling in de ene cultuur, maar kunstmatig voeden even terecht als het goede in een andere, bestaat er geen moreel probleem meer. Verder betwijfelt Lukes ook de empirische basis voor zulk relativisme: culturen waarin het ombrengen van zwakke kinderen bijvoorbeeld is toegestaan, handelen doorgaans uit bittere noodzaak.

Metafysisch wereldbeeld

Maar absolutisme, de overtuiging dat de morele waarheid voor eens en voor altijd vastligt in de natuurlijke ordening der dingen, is volgens Lukes ook een onhoudbare positie. De dogmatische waarheidsaanspraken ervan horen bij een vervlogen, metafysisch wereldbeeld. In plaats daarvan zoekt Lukes, net als filosofen als Sheyla Benhabib en Kwame Anthony Appiah, een middenweg tussen de Scylla van het relativisme en de Charybdis van het absolutisme. Relativisme is een doorgeschoten reactie op morele diversiteit, maar vertolkt niettemin een correcte intuïtie, namelijk dat waarden niet altijd met in elkaar in overeenstemming te brengen zijn in één compleet moreel register. Mensen staan regelmatig voor de keus uit meer dan één moreel gerechtvaardigde handelingsoptie.

Hoe moeten we daarmee omgaan? Hij doet daarvoor twee suggesties, aan de hand van Kant en Aristoteles. De eerste suggestie gaat uit van de notie van universele rechtvaardiging: in navolging van Kants categorische imperatief (en de notie van een ‘machtsvrij’ debat van Jürgen Habermas) stelt Lukes voor dat een praktijk pas moreel acceptabel is wanneer deze voor alle betrokkenen te rechtvaardigen is. Zo zou een minimale universele moraal te vinden moeten zin. Het probleem daarbij is natuurlijk dat ook mensen die een volgens buitenstaanders verwerpelijke moraal volgen, en daar de dupe van worden, die best gerechtvaardigd kunnen vinden.

Lukes’ tweede suggestie is geënt op Martha Nussbaums interpretatie van de morele antropologie van Aristoteles. Daarin staat de overtuiging centraal dat een reeks menselijke vermogens tot bloei moet kunnen komen om een ‘goed leven’ mogelijk te maken. Van die vermogens gaat een morele claim uit. Dat is bijvoorbeeld een argument tegen vrouwenbesnijdenis. Een veel gehoorde kritiek op Nussbaum luidt alleen, dat haar invulling van het ‘goede leven’ typisch links-liberaal en Amerikaans is.

Helaas worden beide posities in het korte bestek van dit sympathieke boek niet verder uitgewerkt. Als oriëntatie voor verder denken en lezen lijkt de oplossingsrichting van Nussbaum echter bruikbaar: elk humanisme dat niet wil terugvallen in ouderwets relativisme of absolutisme staat voor de opgave respect voor anderen, en voor andere culturen, te combineren met de algemene bevordering van menselijke vrijheid en welzijn.

Cultuurnationalisten

Cruciaal voor die benadering is volgens Lukes een moderner en dynamischer cultuurbegrip dan het 19de-eeuwse (in wezen romantische) idee dat de mensheid verdeeld is in afgeronde ‘eigen’ culturen en dat individuen daar volledig het product van zijn, een aanname die zowel ouderwetse cultuurrelativisten als veel moderne, anti-relativistische cultuurnationalisten delen. Ook filosofen als Appiah en Benhabib dringen aan op een genuanceerder en minder massief beeld van de culturele werkelijkheid, waarin individuen ‘lid’ kunnen zijn van diverse culturen, en zich daar kritisch toe kunnen verhouden.

Hier komt in het boek opeens ook Nederland op de proppen. De backlash tegen multiculturalisme in Nederland is zelf een teken van het ‘kwikzilveren karakter’ van het begrip cultuur, zegt Lukes de auteurs na van When Worlds collide: Multiculturalism and its Discontents in the Netherlands, een studie van Paul M. Sniderman en Louk Hagendoorn (Princeton University Press, 2007). Nog niet zo lang geleden was Nederland een gezagsgetrouwe natie met segregatie van de seksen en een morele afkeer van naaktheid en (homo)seksualiteit. Vijftig jaar later bevinden we ons middenin het hedonistische Nederland van 06-lijnen en een sterk ideologische viering van homorechten. Die tamelijk plotselinge omslag in het nationale zelfbeeld bevestigt het fluïde karakter van culturen.

Lukes beaamt ook de conclusie van Sniderman en Hagendoorn dat de heftige reactie tegen het multiculturalisme in Nederland is veroorzaakt door de sterke nadruk op culturele identiteit in de jaren tachtig en negentig. Niet alleen heeft die de argwaan tegen allochtonen versterkt, het heeft ook een dominant culturalistisch idioom geïntroduceerd waarvan tegenwoordig ook tegenstanders van het multiculturalisme zich bedienen: de problemen rond integratie worden grotendeels verklaard uit de ‘cultuur’ van migranten, die zich onvoldoende aanpassen aan de ‘kernwaarden’ van de Nederlandse cultuur.

Lukes onderzoekt in het voorbijgaan ook de contouren van een moderner cultuurbegrip. Hij blijft op gepaste afstand van een al te onthecht postmodernisme dat ‘cultuur’ alleen nog maar ziet als een vrolijke mengelmoes van leefstijlen. Maar het verdient, meent hij, wel aanbeveling om iets over te nemen van zulke interpretaties van cultuur als een ‘kaleidoscoop’ (waarin mensen niet met één cultuur worden geïdentificeerd), als een ‘gereedschapskist’ (zodat de handelingsvrijheid van individuen bewaard blijft) en als een ‘ecosysteem’ (dat open grenzen heeft). Als socioloog zou Lukes vermoedelijk het liefst helemaal van het begrip af willen, omdat het toch altijd het gevaar van statische stereotiepen in zich draagt. Maar daarvoor lijkt de aantrekkingskracht van het begrip cultuur te sterk, hoe relatief ook.