Zijn oude laminaatvloer mocht niet bij me intrekken

Mijn nieuwe hobby is niet consumeren, en ook niet consuminderen, maar weggooien. (Ik wilde daar een leuk woord met consu- voor verzinnen, maar dat is helaas niet gelukt. Dat moeten trendwatchers maar doen.)

Deze nieuwe hobby heeft niets met de kredietcrisis te maken, maar met het feit dat mijn vriend bij me ingetrokken is. Samenwonende mensen hebben twee keer zoveel spullen als mensen die niet samenwonen. In mijn geval zelfs veertien keer zoveel, want mijn vriend heeft heel veel spullen, waaronder tien typemachines, twee tuinslangen, een professionele grasmaaier en meer oude lp’s dan een gezond mens nodig heeft.

Dus die spullen moesten we weggooien. Althans, een deel. (Ik heb ook wat van mijn spullen weggegooid, uit solidariteit.) (En ik heb wat spullen verstopt op het balkon.)

Er waren grote spullen bij. Bijvoorbeeld een oude kast. En een vloer. Ik hou veel van mijn vriend, maar zijn oude laminaatvloer mocht niet bij me intrekken.

Hierdoor raakte ik verzeild in de fantastische wereld van het recycleperron in Almere. In Almere is een terrein, en dat is opgedeeld in allerlei hoekjes, bijvoorbeeld het metaalhoekje, het houthoekje, het oude verfpottenhoekje en het glashoekje, en bij elk hoekje kun je vuilnis in enorme containers smijten. Overal staan medewerkers van het recycleperron – oude mannetjes met felgele hesjes aan – alles wat je weggooit met belangstelling en liefde te bekijken.

Wil je bijvoorbeeld een tafeltje Lack van Ikea dumpen (en iedereen weet over welk tafeltje ik het nu heb, en waarom je het zou willen dumpen), dan zegt zo’n mannetje: ‘Hé, mevrouw, dat is nog best een mooi tafeltje! Dat wil ik wel hebben!’ En dan geef je het aan die man. Want nog leuker dan vuilnis in enorme containers storten, is vuilnis aan bejaarden geven die er zielsgelukkig mee zijn.

Ik leefde helemaal op bij het recycleperron. Vooral bij de metaalhoek, want daar wordt het vuil ook nog meteen vermorzeld door een enorme grijper. En ik was niet de enige die zo genoot: overal om me heen zag ik bezoekers, de meesten mannen van een jaar of vijfendertig, met vuurrode wangen hun auto’s leeghalen, en pingpongtafels, ventilators, aangekoekte braadpannen, lelijke grillig gevormde spiegels, mahoniehouten stoelen en dorre kerstbomen met kracht in de bakken smijten.

Het had iets bevrijdends, al dat gegooi met huisraad, en het lawaai dat dat maakte. Een perfect ritueel om het samenwonende bestaan te beginnen.