Wie weet is er nog hoop

Alfred Schaffer: Kooi. De Bezige Bij, 68 blz. € 16,50

Het zijn eerder brieven dan gedichten, die Alfred Schaffer schrijft. In zijn nieuwste bundel, Kooi, zijn de gedichten steeds weer aan iemand anders gericht. Een ‘ik’ wendt zich tot een ‘jij’, met een vraag, een verwijt, een herinnering, een preek. Dat kunnen de meest uiteenlopende mensen zijn: een oorlogsveteraan, een geliefde, een vader. Meestal blijft het onduidelijk aan wie het gedicht gericht is – en dan kan de bestemming net zo goed de lezer zijn.

Of er daadwerkelijk communicatie tot stand komt is maar de vraag. Zo doet de poëzie van Schaffer denken aan wat de Duitse dichter Paul Celan van poëzie wilde: zij moest lijken op flessenpost. Zelfs als het gedicht eeuwig onderweg zou blijven naar de overkant, stond het toch ‘in het teken van de ontmoeting – in het geheim van de ontmoeting’, volgens Celan.

Die mogelijke ontmoeting is ook wat er bij Schaffer op het spel staat. Sterker nog, iemand krijgt hier een wake-up call: ‘Het is gedaan met de verdoving. Je zult contact moeten maken, iets of iemand moeten aaien, het is als het ware vijf voor twaalf’, zo opent een van de sterke prozagedichten waar Schaffer zijn sonnetten mee afwisselt. Het moet nú gebeuren, dus worden er verwoede pogingen tot contact gedaan, schriftelijk maar ook mondeling, in een telegram, een telefoongesprek, een monoloog, een gebed zelfs.

Omdat het zo zelden lukt, zijn de schaarse momenten van verbinding ontroerend. Bijvoorbeeld waar iemand ver de zee in zwemt. Hoewel ‘we elkaar niet kunnen regisseren’, kijkt de zwemmer toch net op wanneer de ‘ik’, die op het strand staat, ook kijkt: ‘plotseling zwaaide je even’. Daar zullen we het mee moeten doen: op die afstand, naar elkaar zwaaien.

Zonder woorden gaat dat het beste: ‘Post uit de ruimte is ook post,/ maar dan zonder boodschap – geen letters, geen geluiden’, zo besluit een van de sonnetten. Taal is bij Schaffer een onbetrouwbaar medium. De uitgeholde woorden en de clichés waarmee we ons uitdrukken zijn eerder bedoeld om alle verschillen tussen mensen op te heffen, dan om werkelijk contact te maken met een ander.

Ook in zijn vorige vijf bundels was Schaffer al bezig de taal te ontmaskeren als ideologisch middel. Bijvoorbeeld met de mooie ready-made uit de vorige bundel, Schuim (net als Kooi voor de VSB-prijs genomineerd). In zinnen die geheel geplukt waren van www.nederlandtegenterrorisme.nl ontmaskerde Schaffer daarin het veiligheidsdiscours. Het bleek eerder angstzaaiend en paranoïde dan geruststellend. Ook in deze nieuwe bundel stuiten we op de paradox dat hoe meer ons wordt verzekerd dat we niets te vrezen hebben, hoe groter het gevoel van onveiligheid.

Want de sfeer is ronduit dreigend bij Schaffer. Hoewel het nergens erg concreet wordt, zijn er wel oorlogsmisdaden, veteranen, brandende tanks en slagvelden. Zelfs als het geen oorlog is zijn de loopgraven bij Schaffer nooit ver weg. Het ‘thuisfront’ kan net zo angstaanjagend zijn als het oorlogsgebied, of het nu gaat om asbakken als ‘smeulende ruïnes’ of om de verhalen over ‘gezwollen lichamen’ die een collectant bij de deur ophangt.

Grimmig is ook de toon van deze gedichten. ‘Wat doe je hier nog, en wat is er gebeurd met je gezicht?’, zo opent een sonnet. Of er staat: ‘Wie weet is er nog hoop, net als jij/ heb ik geen liefde nodig’. Mooi kan je het dan ook niet noemen. Schaffer schrijft uiterst prozaïsche poëzie, in telegramstijl soms. Bovendien verschaft hij consequent altijd nét te weinig informatie, zodat de lezer het gevoel heeft dat er maar één puzzelstukje mist en dan zou alles op zijn plek vallen. Dat puzzelstukje krijgen we nooit te pakken.

Zo blijven we er mee zitten, met onze vragen over dit koor van verschillende personages. Wie ‘was niet op bezoek berekend’, welke waan blijft er ‘intact’? Waarom ‘heb je iets goed te maken’, en wat is ‘dat ene telefoontje?’. Het is een moedwillige obstructie van het begrip waar recensenten nog wel eens geïrriteerd op gereageerd hebben.

Hun frustratie lijkt me een teken dat Schaffer in zijn opzet slaagt: poëzie schrijven die als flessenpost in zee drijft. Je kan zoveel gedichten in het water gooien als je wil, de geadresseerde blijft een onbereikbare vreemde aan de overkant.