Wat nou Valentijn? Ik wil single zijn

Nederland telt 2,5 miljoen alleenstaanden en dat aantal blijft voorlopig groeien.

Omdat ze ongestoord carrière maken, op reis gaan en hoppen van flirt naar flirt.

In 1984 waren het er één miljoen, nu zijn het er 2,5 miljoen en het worden er 3,5 miljoen in 2030. De alleenstaande is bezig met een niet te stuiten opmars. De een is een jaar single, de ander gemakkelijk tien. De moderne mens is zo vaak in between relationships dat niet langer het gezin, maar de single straks de hoeksteen van de samenleving is. „Alle soorten hoekstenen krimpen in omvang, behalve de alleenstaanden”, zegt Jan Latten, hoogleraar demografie aan de Universiteit van Amsterdam.

Kanttekening bij de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek is dat ‘alleenstaand’ niet altijd ‘zonder partner’ betekent. Iedereen die alleen woont, geldt als alleenstaand – ook als er wel sprake is van een relatie. Daartegenover staan weer single ouders die met hun kinderen wonen: zij worden tot de eenoudergezinnen gerekend en niet tot de alleenstaanden.

Toch stijgt met het aantal alleenstaanden ook het aantal singles. Volgens het CBS is iedere generatie sneller geneigd om een relatie te verbreken. En die neiging neemt de komende jaren alleen nog maar toe, voorspelt Latten.

Waarom? Dat verschilt per levensfase. De twintigers van nu zijn volgens de demograaf „met een zelfstandigheidscursus bezig”. Ze investeren stevig in hun carrière, gaan op reis. Ze trekken hun eigen plan en daar past een relatie niet altijd in.

Dan de dertigers. Anders dan vroeger – denk aan de jaren vijftig, zestig – ontbreekt de economische noodzaak om samen te blijven als de relatie tegenvalt. De stevige carrièreplanning uit zich in een egocentrische generatie die „niet uit liefdadigheid zoveel in zichzelf heeft geïnvesteerd”.

Bij vrouwen van boven de dertig begint de biologische klok harder te tikken, maar een vader voor hun kinderen wensen ze zich vaak exact op maat gesneden. Iemand met wie ze in balans zijn, maar die óók meerwaarde biedt.

Voor veertigers en ouder tenslotte, hoeft het settelen niet meer zo. De kinderen zijn er, net als die leuke baan en dat eigen huis. Lopen ze tegen een nieuwe relatie aan, dan doen ze nog moeilijker concessies dan twintigers en dertigers. Samenwonen is geen noodzaak meer: hun eigen huis opgeven, ho maar.

Zo, ‘hoppend’ van relatie naar relatie, brengen steeds meer mensen jaren als single door – mannen gemiddeld tien, vrouwen zeker vijftien jaar. Ze wisselen hun partner in, al naar gelang de levensfase. Is de relatie voorbij en vinden ze niemand die op dat moment bij hen past? Geen probleem: ze redden zichzelf wel.

Maar worden ze gelukkig van al dat alleen zijn? Gemiddeld iets minder dan mensen met een partner, zo blijkt. „Er zijn alleenstaanden die hun eigen geluk een tien geven. Maar er zijn minder gelukkigen onder vrijgezellen dan onder gehuwden en samenwonenden”, zegt ‘geluksprofessor’ Ruut Veenhoven, verbonden aan de Erasmus Universiteit.

Dat verschil is echter klein, benadrukt Roos Vonk, hoogleraar sociale psychologie aan de Radboud Universiteit. „Geven mensen met een relatie gemiddeld een 7,8 aan hun geluk, alleenstaanden scoren een 7,5”, vergelijkt Vonk. „Er bestaan veel gelukkige singles, terwijl veel partners ongelukkig zijn met hun relatie.”

Eén factor is daarbij essentieel. Een mens wordt gelukkig van contact. Zoveel is Veenhoven, emeritus hoogleraar ‘sociale condities voor menselijk geluk’, tijdens dertig jaar onderzoekwel duidelijk geworden. Een alleenstaande kan dus prima gelukkig zijn, maar moet daarvoor wel de deur uit: vrienden of familie opzoeken voor de nodige menselijke interactie.

Natuurlijk verschilt de behoefte aan contact van mens tot mens. Vonk onderzocht dat ongeveer 10 procent van de Nederlanders vrijwel geen bindingsdrang heeft: ‘Voor mij hoeft het niet zo.’ Hetzelfde geldt volgens Veenhoven voor intimiteit. „Er zijn ook min of meer aseksuele mensen. Die komen een heel eind met goede vriendschappen.”

De laatste decennia speelt voor singles nog een andere wetenschap mee, waardoor zij niet veel minder gelukkig zijn dan mensen met partner: ze weten dat hun situatie tijdelijk is. „Al kan die periode gerust tien jaar duren, dat maakt de singles niets uit. Ze maken van de nood een deugd”, zegt Vonk. Gemiddeld duurt het echter maar twee jaar voordat een single een nieuwe partner heeft opgepikt.

Deze seriële monogamie, mét de bijkomende periodes van alleen zijn, past volgens Veenhoven historisch gezien beter bij de mens dan de eeuwige trouw. Hij wijst erop dat de mens 95 procent van zijn periode op aarde doorbracht als jager-verzamelaar. In die samenlevingen kwam seriële monogamie veel voor.

Een heel leven met één partner is vooral iets van de laatste paar duizend jaar. Ingegeven door de agrarische samenleving, waarin een huwelijk vaak ook de zekerheid van een stuk grond betekende. De invloed van het christelijke geloof was oorzaak twee: een huwelijk hoorde tot in de eeuwigheid te duren.

Is het groeiende leger alleenstaanden een probleem, voor de samenleving of voor henzelf? Veenhoven denkt van niet. Tegenwoordig is de kans volgens hem groter dat mensen uiteindelijk bij de juiste partner terechtkomen. Al hoeft dat dan niet een relatie voor het leven te zijn. „We leven langer, we veranderen meer, dus de kans dat je uit elkaar groeit is ook groter.”

Als belangrijkste nadeel noemt hij dat partners en kinderen soms beschadigd raken bij een echtscheiding. „Al gebeurt dat wat kinderen betreft veel minder vaak dan wordt gedacht.”

Daarnaast drukken de vele partnerswisselingen het kindertal. Is dat dan misschien een nadeel? Veenhoven: „Moeder aarde haalt opgelucht adem.”