Waarom Lenin wel en Wilders niet?

Marx, Lenin, extremistische islamieten, iedereen was ooit welkom in Groot-Brittannië.

Deze traditie was toch ook wel tegen Geert Wilders bestand geweest?

Het had Karl Marx vast verrast dat een eenvoudige Nederlandse parlementariër uit het Verenigd Koninkrijk geweerd zou worden. De eer die Geert Wilders gistermiddag op het vliegveld van Heathrow te beurt viel, heeft de vader van het communisme zelf nooit mogen beleven. Net als zoveel andere onruststokers in vroegere eeuwen, mocht Marx in het vrije Londen roepen wat hij wilde. Maar het Verenigd Koninkrijk is helaas geen vrijhaven meer. Haar omslag zal vermoedelijk andere democratieën inspireren.

Wilders had zijn anti-islamitische film Fitna willen vertonen in het Hogerhuis, onderdeel van de ‘mother of parliaments’. Buitenlandse extremisten konden er bijna altijd terecht, een traditie die Ian Buruma in zijn boek Voltaire’s Coconuts beschrijft. Marx mocht decennialang in Londen ongestoord de revolutie prediken zonder dat de Britten hem tegenhielden, of überhaupt aandacht aan hem besteedden. Later bewoonde Lenin een paar sjofele kamers nabij Euston Station. Hij kon het Britse eten niet pruimen, maar ook hij kon in Londen zijn gang gaan. Dat hij er onder de pseudoniem ‘Richter’ leefde, was meer als bescherming tegen Russische aanslagen dan tegen de Britten, die hem nauwelijks aandacht schonken.

Ook tijdens de Koude Oorlog bleef Groot-Brittannië een vrijhaven van meningsvrijheid. Het schrikbeeld werd nu niet langer gevormd door de dictators van West-Europa, maar die achter het IJzeren Gordijn. Amnesty International en het ooit invloedrijke blad Index on Censorship stammen uit het Londen van de Koude Oorlog.

De vrijheidstraditie leefde tot in de jaren negentig voort. Extremistische islamieten werden in Frankrijk en het Midden-Oosten opgejaagd, maar konden zich in ‘Londonistan’ in theehuizen en moskeeën verzamelen, zonder dat de Britten aandacht voor hen hadden. Osama bin Laden kwam in 1994 langs om fondsen te werven. De eenogige, eenarmige, Egyptische imam Abu Hamza mocht ongestoord in de moskee van de sjofele wijk Finsbury Park de jihad prediken.

De omslag kwam met 11 september. Plotseling leken de fundamentalisten het Verenigd Koninkrijk zelf te bedreigen. In 2005 bliezen vier Britse fundamentalisten inderdaad 56 Londenaren op. De toenmalige premier Tony Blair had een goed politiek Fingerspitzengefühl. Hij begreep dat kiezers veel meer om veiligheid geven dan om de vrijheid van meningsuiting.

Auteur George Orwell had als eerste tegen ‘Big Brother’ gewaarschuwd. Blair nam Big Brother als voorbeeld. Hij schiep een land met 20 procent van alle beveiligingscamera’s op aarde, een land waar iemand die slechts verdacht is van terroristische sympathieën 28 dagen in voorarrest kan worden genomen, een land waarin dit jaar identiteitskaarten worden geïntroduceerd en waarin onruststokers als Wilders niet meer naar binnen mogen.

Het ministerie van Binnenlandse Zaken zei hierover dat het „allen uit ons land wil weren, die extremisme, haat en gewelddadige boodschappen in onze gemeenschappen willen verspreiden”.

De ban tegen Wilders is het logische gevolg van de ban tegen zijn vijanden, de islamitische extremisten. Sinds 11 september zijn zij hard aangepakt. In 2006 verbood de Terrorism Act zelfs de ‘verheerlijking’ van het terrorisme, als die verheerlijking mensen tot terrorisme zou kunnen aanstichten.

Abu Hamza, die sinds 2004 in de gevangenis zit, kan zich troosten met de gedachte dat de regering ook goddeloze Britten aanpakt: ‘asocialen’ kunnen nu bij wet worden verboden om bijvoorbeeld hun plaatselijke kroegen te bezoeken, hun eigen straat te verlaten, of, in het geval van een jongen in Manchester, één golfhandschoen te dragen. Dit kan allemaal omdat in Groot-Brittannië de vrijheid van meningsuiting niet in de Grondwet is verankerd – er is geen Grondwet.

Er is veel oppositie geweest tegen deze aanslagen op de vrijheid, maar amper van Britse kiezers. Die hebben weinig op met theoretische vrijheden voor islamisten en ‘asocialen’. Vroeger konden Britse vrijheidsstrijders wijzen naar de dictaturen in Frankrijk of Duitsland, of in de Sovjet-Unie. Zó wilde Groot-Brittannië niet worden. Maar nu de democratie overal in het Westen verzekerd lijkt, is het makkelijker om die democratie iets in te perken. Dat een volgende regering weer verder zou kunnen gaan dan Blair, lijkt niemand te vrezen.

Het anti-vrijheidsmodel van Blair is aantrekkelijk voor kiezers, en daarmee ook voor andere westerse politici, die maar wat graag hun controle over hun eigen landen zouden verstevigen. Cruciaal is dat Blair vooral de vrijheid van minder geliefde minderheden in het vizier had. Hij maakte niet de fout van George W. Bush, die ook doorsnee-Amerikanen wilde bespioneren.

Seymour Hersh, de befaamde Amerikaanse onderzoeksjournalist die de misstanden in de Iraakse Abu Ghraib-gevangenis onthulde, vertelde mij dat de Britse staat veel indringender is dan Amerikaanse. „Ik denk niet dat ik zelfs maar een openbare telefoon in Londen zou gebruiken” , zei Hersh. „My God, you’ve got that place wired. Misschien eindigen wij net zo. Het is triest, want het tast de kwaliteit van het leven aan. En er is een alternatief: groots politiewerk.”

Het invloedrijkste pleidooi voor de vrijheid kwam natuurlijk van een Brit, de filosoof John Stuart Mill. „Wij kunnen nooit zeker weten dat de mening die wij pogen te verstikken een foute mening is”, schreef hij in 1859 in On Liberty, „en zelfs als we dat zeker zouden weten, zou het verstikken ervan nog steeds een kwaad zijn.” Blair wuifde die hoogdravendheid weg als een poging „de misdaad van de éénentwintigste eeuw te bestrijden met negentiende-eeuwse middelen.” Toch verwacht ik dat de eeuwenoude Britse traditie – samen met groots politiewerk – ook tegen Wilders en Abu Hamza bestand was geweest.

Simon Kuper is een Britse journalist, die een deel van zijn jeugd in Leiden heeft gewoond.

In de Britse krant The Times verscheen een hoofdredactioneel commentaar met als titel ‘Geert Wilders: Let Him In’. Lees het artikel via nrcnext.nl.