Voorwaarts en opwaarts

Drie jaar bracht journaliste Leslie Chang in China door met twee ‘fabrieksmeisjes’. Ze schreef een ware mentaliteitsgeschiedenis.

Leslie T. Chang: Factory Girls. From Village to City in a changing China. Spiegel & Grau, 420 blz. € 24,-. De vertaling, Fabrieksmeisjes, verschijnt in april bij Artemis.

In de berichten over de ontslaggolf die Chinese fabriekarbeiders treft, zijn het de getallen die het gebeurde op afstand houden. Wat moet je je voorstellen bij twintig miljoen nieuwe werklozen in de laatste maande n, meer dus dan de bevolking van Nederland? Wie zijn die mensen? Is het voor een westerling mogelijk zich te verplaatsen in een Chinese migrant, één gezicht uit de onvoorstelbare massa van naar schatting 130 miljoen Chinese arbeidsmigranten?

Ja, dat is mogelijk, dankzij Leslie T. Chang, voormalig correspondent van The Wall Street Journal en auteur van een fascinerend boek over Chinese arbeidsters, Factory Girls. Chang is niet zozeer geïnteresseerd in de erbarmelijke omstandigheden in de Chinese industrie, waar al veel over gepubliceerd is, noch in de Grote Trek als geheel, zoals Floris-Jan van Luyn die beschreef in Een Stad van Boeren (2004). In plaats daarvan concentreert zij zich geheel op de migratie-ervaring zelf en het dagelijks leven van een paar arbeidsters. De massa beschreven aan de hand van een, twee gezichten.

Bijna drie jaar verbleef Chang in Dongguan, een fabrieksstad in de Parelrivierdelta in Zuidoost-China, met naar schatting 1,7 miljoen lokale inwoners en 7 miljoen migranten, van wie 70 procent vrouw. Ze werd er vriendin met twee meisjes, de zestienjarige Min en de twintiger Chunming. Daarnaast sprak ze met andere jonge vrouwen die de extended family van hun boerendorpen verruilen voor een anoniem bestaan in de stad, de zekerheid van een bestaan als dat van hun voorouders voor de achtbaan van een industriële revolutie in de overdrive.

De migratiegolf is nu zo’n twintig jaar oud, en is in die tijd veranderd. Op de eerste bladzijden van haar boek ontzenuwt Chang snel een aantal ideeën over de vrouwen. Zij zijn geen arme boeren, ze zijn juist de rurale elite. Ze weten niet echt wat boeren is, ze zaten op school. Ze ontvluchten niet zozeer armoede, alswel uitzichtloosheid. Shuqu – erop uitgaan – is het moeilijkste wat ze ooit gedaan hebben, maar ook het avontuurlijkste.

De eerste periode is het zwaarst, met de slechtste fabrieken, de slechtste slaapplaatsen en werken onder een valse naam omdat je nog te jong bent voor een legale identiteitskaart. Maar tussen 2004 en begin 2007 is het nog mogelijk om binnen een half jaar hogerop te komen door snel van baan te wisselen (‘to jump factories’, noemt Chang het) en ‘talentenmarkten’ te bezoeken. Bluf en lef zijn belangrijk, want niemand vraagt bij een sollicitatie door.

In de loop van dertien jaar heeft vooral de ondernemende Chunming een carrière die nog het meest weg heeft van een eeuw arbeidsgeschiedenis, compleet met boom and bust : van de boerderij naar de lopende band naar administratie en inkoop. Ze is een tijd journalist (schrijft gunstige stukjes over bedrijven die haar betalen), begint een firma in bouwmaterialen en raakt twee keer verzeild in een piramidespel, waardoor ze alles kwijtraakt wat ze heeft opgebouwd. Na dertien jaar is haar situatie ongeveer hetzelfde, maar haar persoonlijkheid is dat niet. Niemand eet Chunming de kaas van het brood, ze kent de risico’s van haar bestaan.

Factory Girls houdt niet op je te verbazen. De risico’s die de meisjes nemen, het tempo waarin ze ingrijpende zaken beslissen, wedijvert met het tempo van de productieprocessen op hun werk: alleen vaart houdt deze wereld overeind. Chang beschrijft Dongguan als ‘een stad waar alles bezig is iets anders te worden’, het stadsmotto is ‘One Big Step Every Year, a New City in Five Years’. Alles is nieuw, alles is mogelijk. ‘Een paar computerlessen katapulteren je naar een andere klasse, een ochtend op de talentenmarkt kan genoeg zijn voor een nieuwe carrière’. Ook alle kennissen zijn nieuw, alle contacten oppervlakkig. Bij een avond speeddaten verzucht een meisje: ‘Het probleem is dat acht minuten soms te lang is.’

Het ‘magnetische noorden’ in dit universum van ontworteld zijn is het mobieltje. Als Mins telefoon wordt gestolen, verliest zij alle ‘vrienden’ die ze in anderhalf jaar heeft opgedaan. Ze had alleen hun nummer.

Regelmatig verdwijnen mensen zomaar van het toneel, zonder afscheid te nemen, ze zijn voor hun kennissen of familie niet meer te traceren in het immense industriële landschap. Maar richtingloos is het daarmee niet, dit bestaan. Opwaarts en voorwaarts, dat is wat telt. Als gekken werken veel meiden aan zelfverbetering. De pasklare regels van Amerikaanse zelfhulpgoeroes, of de Chinese, lukrake afspiegelingen daarvan, blijken houvast te bieden in het niemandsland tussen een wegebbende groepsmentaliteit en gretig opgezogen individualisme. De devotie waarmee men in de etiquetteklas leert dat ‘je een kamer binnen moet lopen alsof je hem bezit’, en dat ‘paarse oogschaduw past bij alle Aziatische vrouwen’ doet Chang denken aan ‘een stoomcursus voor Marsbewoners die willen doorgaan voor mens’. De leraar houdt de meisjes Tsjang Kai-Sjek, Mao en Hitler voor als toonbeelden van eloquentie.

Eenzelfde historische gewichtsloosheid en krankzinnige hybride van oosterse en westerse elementen kenmerken de methode Engels die ene meneer Wu heeft ontwikkeld. Uit door hemzelf ontworpen machines rollen, als waren het gebedsmolens, kaartjes met daarop Engelse woorden die zijn studenten moeten memoriseren. De betekenis leren komt later wel.

In zijn buitenissigheden doet deze confucianistisch getinte ratrace nog het meest denken aan Monty Python’s Life of Brian – Yes, we are all individuals! Maar omdat Chang bovenal geïnteresseerd is in het onooglijke, alledaagse leven van de meiden, graaft ze ook dieper. Min, Chunming en de anderen pikken uit al het nieuwe datgene wat hen aanstaat, ze worden ouder en hun levensstandaard verandert soms– voorzichtig doemen er tekenen van middenklasse op. Het knappe is, dat Chang er zo in slaagt de ontwikkeling van een land te beschrijven via de psyche van een handvol zestien-, zeventienjarigen, die, zoals alle adolescenten ter wereld, op weg zijn om iemand te worden.

Natuurlijk zijn Min en Chunming niet per se representatief, zoals Chang ook toegeeft, en doordat zij redelijk succes hebben, blijven falende migranten te veel buiten beeld. Maar een uitzondering zijn Min en Chunming ook weer niet.

Chang gaat mee terug naar het dorp van Min, waar de rijkdom van twintigers de oude patriarchale hiërarchie totaal op zijn kop zet. Min onderhoudt haar ouders – zij en haar zus sturen jaarlijks zeshonderd dollar naar huis, tegen de 240 dollar die van het boerenbedrijf komen – en zij beslist welke investeringen juist zijn. De ouders hebben geen idee wat hun dochters doen, met wie ze omgaan en zelfs waar ze zijn. Mins oudere zus vertrekt naar een andere stad met haar vriendje, zonder thuis iets te vertellen. De rite-de-passage van jonge Chinezen blijkt een drievoudige sprong voorwaarts, behalve in leeftijd en mentale en fysieke ontwikkeling ook in afstand en in tijd – van de pre-moderne tijd naar de 21ste eeuw.

Maar Factory Girls ontstijgt ook het specifiek Chinese. Het maakt heel goed invoelbaar hoe migranten verschillende identiteiten combineren, en hoe jonge migranten hun identiteit kunnen en willen vormgeven. De schizofrenie die het combineren van twee tijdperken en twee waardesystemen met zich meebrengt, is voor betrokkenen én buitenstaanders even spannend als vermoeiend. ‘Tijd doorbrengen in Chunmings kringetje was als het kijken naar één van die optische illusies die twee dingen tegelijk laten zien’, schrijft Chang. Als jonge vrouw van Chinese afkomst zag Chang kans dichtbij haar onderwerp te komen – in Mins boerderij slaapt ze zelfs met twee familieleden in één bed. Ze verweeft haar verhaal met de migratiegeschiedenis van haar eigen familie: een grootvader werd vermoord in de strijd tussen nationalisten en maoïsten, haar grootmoeder ontkwam via Taiwan, haar vader en zijn broers en zussen studeerden in Amerika.

Maar interessanter dan de geschiedenis van Changs voorouders is de culturele botsing die zij zelf doormaakt tijdens haar leven met de Chinese vrouwen, en die soms openlijk, soms zonder dat zij zich dit bewust lijkt, naar voren komt uit haar beschrijvingen. Als derde generatie migrant is Chang een volbloed Amerikaanse, tot op het bot geïndividualiseerd; ze heeft in Dongguan voortdurend moeite met de ongelijkheid van de seksen, met de frontier-moraal die niet goed en kwaad, maar alleen succes en status als norm stelt, en met het gebrek aan privacy. Ze is verbijsterd over een succesvol zelfhulpboek dat niet deugd en volharding, maar bedrog en manipulatie predikt. Het blijkt beledigend om in het dorp van Min aan het collectieve leven te willen ontsnappen door het maken van een ommetje.

Ook dit heldere contrast in het boek tussen het gevorderde en het beginnende individualisme, tussen een mentaliteit die vanaf dag één is ingedronken en een mentaliteit die je het als adolescent mogelijk maakt een hard leven vol te houden, is waardevol. Het maakt Factory Girls tot een ware mentaliteitsgeschiedenis, één die en passant iets heel goed duidelijk maakt. Ontslag of niet, de arbeidsters kunnen niet meer terug. In de Chinese dorpjes wacht hen niets dan verveling en vernedering over het uitblijven van succes. Hun mentaliteit is gevormd door de stad, door deze razendsnelle, allesdoordringende industriële revolutie die ook een geestelijke revolutie is. Ze willen verder, nu ze hebben gezien dat dat kan. Doodjammer dus, dat je niet weet hoe het bij dit zware economische weer met Chunming, Min en alle anderen gaat. Doodjammer, dat Leslie Chang gewoon weer in Colorado woont.