Verleid tot geborgenheid in de kerk van Rome

Paul Luykx: . Daar is nog poëzie, nog kleur, nog warmte. Katholieke bekeerlingen en moderniteit in Nederland, 1880-1960. Verloren, 376 blz. € 29,-

Bekeringen tot het rooms-katholicisme trekken de aandacht, zeker als het om publiek bekende figuren gaat. Gerard Reve was zo iemand, en Willem Jan Otten. Een recenter voorbeeld is de voormalige Britse premier Tony Blair. Persoonlijke overwegingen spelen daarbij uiteraard een belangrijke rol, zoals een huwelijk of goede persoonlijke contacten met rooms-katholieken. Maar ook culturele en maatschappelijke factoren zijn van betekenis, zo laat het boek van de Nijmeegse historicus Paul Luykx zien.

De recente vaderlandse geschiedenis kent een aantal opmerkelijke overgangen: schrijver Frederik van Eeden, dichter Gabriël Smit, schrijver Herman de Man, schilder Jan Toorop, oud-minister H.P. Marchant, schrijfster Hélène Nolthenius, dichteres Henriëtte Roland Holst, psycholoog F.J.J. Buytendijk, cultuur-historicus Henri Brugmans, politicus Dick de Zeeuw en classica Cornelia de Vogel, om enkelen te noemen. Hun levensverhalen komen ter sprake in dit boek, dat zijn titel ontleent aan een gedicht van Frederik van Eeden over ‘de Roomsche Kerk’.

Nog veel meer destijds bekende Nederlandse bekeerlingen passeren de revue: journalisten, schrijvers, architecten, wetenschappers, politici, protestanten, communisten, anarchisten die voor Rome kiezen – en van wie sommigen later de Moederkerk toch weer de rug toekeren.

Luykx gaat bewust voorbij aan de psychologische kanten van hun overgang, maar doet juist een poging greep te krijgen op de sociaal-culturele achtergrond ervan: bijna alle bekeerlingen blijken namelijk een aarzelende tot sterk afwijzende houding te hebben ten opzichte van het proces van modernisering zoals dat zich in cultuur, samenleving en politiek voltrekt. Ze zoeken geborgenheid in een onherbergzame wereld. Ze vertonen een hang naar ‘Gemeinschaft’ in plaats van ‘Gesellschaft’.

Sommigen, zoals Jan Toorop en Gabriël Smit, ontwikkelen zelfs sympathie voor het nationaal-socialistische c.q. fascistisch gedachtegoed. De rooms-katholieke kerk heeft bovendien op velen een esthetische aantrekkingkracht door het monumentale karakter van haar gebouwen, de rijkdom van haar liturgie en de hemelse klank van haar gregoriaans. Als hoedster van de traditie biedt de kerk hun een veilig toevluchtsoord in een cultuur die gestempeld wordt door materialisme en modernisme.

Luykx heeft met Daar is nog poëzie, nog kleur, nog warmte weliswaar een informatief boek geschreven, maar zijn neiging om geen detail ongenoemd te laten en onderweg keer op keer interessante zijwegen in te slaan, vergroot de leesbaarheid niet. Bovendien maakt hij zich schuldig aan archaïserende breedsprakigheid met zinnen als: ‘Indien er niet een vlijtig scriptant was geweest die althans énige gegevens over de man had verzameld, zou schrijver dezes op dit punt met de handen in het haar hebben gezeten.’

Een enkele keer slaat Luykx er ook maar een slag naar, bij voorbeeld bij de protestantse afkomst van F.J.J. Buytendijk. Luykx laat hem in 1926 lid worden van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt, maar die ontstonden pas in 1944. Voor een lid van de Moederkerk is het ook lastig natuurlijk, al die verschillende gereformeerden.