Tasjeshoer in een BMW sportcoupé

Sinds 1994 combineert het Volksoperahuis gevoelige levensliedjes met vrolijk stemmend theater. Maar door recente maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de moord op Theo van Gogh, heeft de luchtigheid plaatsgemaakt voor een grimmiger stijl.

In het Noord-Hollandse gehucht Wadway bij Spanbroek is de eeuwenoude kerk omgedoopt tot Theaterkerk, met een hoofdletter. De preekstoel gaat schuil achter een blauw fluwelen toneelgordijn. Toneelgezelschap het Volksoperahuis brengt er de voorstelling De Martelaar.

Een zwaar gebouwde acteur, gehuld in wit gewaad, klimt omhoog in een touwladder. Hij speelt dat hij een engel is. De speelvloer verbeeldt de woestijn. Onder hem staat een man. De engel fluistert hem toe: „Jij zult vader worden van een zoon die martelaar wordt.” Er klinkt verstilde, bijna religieuze gitaarmuziek. Dan daalt de engelachtige verschijning neer. De touwen en de katrollen waaraan hij hangt, knerpen vervaarlijk.

De engel is acteur en tekstschrijvers Rogier Schippers. In de woestijn staat medespeler Kees Scholten. De muzikant is Jef Hofmeister. Zij vormen sinds 1994 het Volksoperahuis, een gezelschap dat muziek combineert met theater, gevoelige levensliederen met verhalen die aan de actualiteit zijn ontleend. Bij de oprichting beoogde het ensemble een luchthartige toneelstijl te brengen.

De toeschouwers in het theater van Wadway volgen met enige ongerustheid de verrichtingen van Rogier Schippers als de engel. Welbewust onhandig klautert hij omhoog, hij dreigt zelfs te vallen als een voet van de sport schiet. Kort na deze try-out zegt Schippers: „Iedereen kan zien dat het een truc is. Eerst zwaai ik de witte mantel over mijn schouders. Dan klim ik in de touwladder en zwaai heen en weer boven de speelvloer, alsof ik werkelijk over de woestijn zweef. Het is de kunst die truc zo te presenteren, dat de toeschouwer erin gelooft.”

Het begrip volksopera bestaat

officieel niet. Muzikant en componist Jef Hofmeister heeft het bedacht: „Het volkstoneel van Beppie Nooy en een musical als De Jantjes hebben mijn grote voorliefde. Ik houd van levensliederen, ik zing ze graag. Serieuze opera, zoals in het Muziektheater wordt opgevoerd, wil de toeschouwer verheffen, dat is heilige kunst. Volkstoneel is vermaak. Doel van volkstoneel is niet vernieuwing, maar herkenning. Volksopera wil allebei zijn. We herkennen meteen de slechterik, het verliefde meisje, de verlegen jongen. Met die herkenning moet je als acteur spelen en de toeschouwer verleiden.”

Bekendheid verwierf het gezelschap met het drieluik Zeeuwse Nachten over de zoektocht naar de Nederlandse identiteit. Schippers met zijn forse, niet bepaald meisjesachtige postuur hoefde maar een kanten kapje op te zetten, zijn stem iets te verhogen en hij was het Zeeuwse meisje van wie iedereen een beeld heeft: schoon, kuis, proper, blozende wangen.

De drie delen, Hans Brinker Blues, Dan liever de lucht in en Het Behouden Huys, tonen de Nederlandse geschiedenis op onconventionele wijze. Hans Brinker wordt verbeeld als de grote twijfelaar: moet hij dat stukje half ondergelopen moerasland wel redden van het water? Zou hij niet als de wiedeweerga zijn vinger uit die dijk trekken?

Zeeheld Van Speijk in Dan liever de lucht in komen we tegen als de handelende Nederlander „die door zelfontploffing ons nationale eergevoel en bewustzijn versterkt”, aldus componist Jef Hofmeister. Hij vervolgt: „Van Speijk liet het buskruit exploderen om niet in handen van aartsvijand, de Belgen, te vallen. Zoiets heldhaftigs begrijpen we niet meer. Idealisme tot de dood erop volgt, is voor ons onvoorstelbaar.”

Het derde deel van de Zeeuwse trilogie, Het Behouden Huys, is bespiegelend van karakter. Nederland dreigt door het smelten van de ijskappen opnieuw in zee te verdwijnen. Schippers speelt daarin de toekomstige koningin Amalia, die met haar man Lothar von Krupp bis Kreuzfeld Jakob op een smeltende ijsschots onze nationale canon probeert te redden. Met een sterk Duits accent, waarin iedereen meteen de dictie van prins Bernhard herkent, houdt acteur Kees Scholten als prins Lothar ons voor wie wel en wie niet op de schots mogen plaatsnemen. Het is puur volkstheater: de acteurs maken listig gebruik van de kennis van het publiek. Scholten: „Helden uit het verleden en hedendaagse gebeurtenissen plaatsen wij in een sprookjeswereld, waardoor het publiek opnieuw naar deze gebeurtenissen gaat kijken. We hopen zo een verrassende, magische realiteit te scheppen”.

„Het ijscomité van de Elfstedentocht is echt Nederlands”, zegt tekstschrijver Schippers, „Mies Bouwman ook, en André Hazes, maar Marco Borsato weer niet. Als je een naam noemt, reageert het publiek onmiddellijk. Het is alsof iedereen intuïtief weet wat tot ons nationale erfgoed behoort. Mies Bouwman is een tijdlang de moeder van Nederland geweest, haar naam heeft zich een vaste plaats verworven. Als ik koningin Amalia neerzet, dan herkennen de toeschouwers in haar zowel Beatrix als Máxima. Op die manier combineren wij geschiedenis met actualiteit. De toeschouwers hebben een belangrijk aandeel in de sfeer van de voorstelling.”

Acteur Kees Scholten heeft de invloed

ondergaan van toneelschrijver Bertolt Brecht en componist Kurt Weill. „Ik ben geboeid door De Driestuiveropera, waarin een vertellende stem zingzegt: ‘Und jetzt ein Lied über die Liebe...’ De verteller richt zich rechtstreeks tot het publiek, er is geen afstand. Ik doe iets vergelijkbaars wanneer ik aan het begin van een voorstelling een beroep doe op de fantasie: ‘Stelt u zich voor, dames en heren, een schip op zee...’ Zo’n vertellende instantie biedt een dramatische bedding. Als ik zeg dat ik als vader in De Martelaar eenzaam door de woestijn loop en opeens een stem in de hoogte hoor, dan is dat voor mij de werkelijkheid van dat moment.”

Hoe vrolijk het Volksoperahuis herkenbare situaties ook verbeeldde, toch moest het roer om. Er kwam een keerpunt. Rogier Schippers merkt op dat het gezelschap jarenlang „fijne” voorstellingen maakte als een soort revue met verhalen en zang, waarin de actualiteit werd vermeden. Totdat er opeens geen reden meer was voor luchtige delicatessen. Op 2 november 2004 werd Theo van Gogh vermoord in de Amsterdamse Oosterparkbuurt. En kort daarop, 17 januari 2005, werd een automobiliste, Germaine C., in de 3e Oosterparkstraat, beroofd van haar tas. Terwijl ze wachtte tot ze kon afslaan, opende iemand het portier en greep haar tas. De dader sprong achterop een scooter en ging er met zijn kompaan vandoor. Hard achteruit rijdend ging Germaine het stel achterna, raakte de scooter. De dader raakte bekneld tussen de auto en een boom en overleed.

„We vonden dat we vanaf dat ogenblik geen schuldeloos liedjestheater meer konden maken”, zegt Rogier Schippers. „De actualiteit was te ingrijpend om aan voorbij te gaan. Het was alsof het Nederland dat we kennen uit zoiets volkstoneelachtigs als De Jantjes opgehouden had te bestaan. Al die jaren voor de dood van Van Gogh hebben we gedacht dat de islam hier nooit zou komen. Nederland keek de andere kant op. We vergaten dat de islam allang was gearriveerd. In de tekst van De Martelaar schrijf ik dat de vader die de profetie van de engel krijgt naar het Mosplein in Amsterdam-Noord kan uitwijken. Daar is zijn kind veiliger dan in oorlogsgebieden. De vader wil geen zoon die martelaar wordt; liever heeft hij een kind dat voetbalt.” Kees Scholten vult aan: „Het gaat om de discrepantie tussen de goddelijke en de menselijke maat. Het is voor ons ondenkbaar dat iemand zich met een zelfmoordcommando opoffert voor een ideaal. En ervan overtuigd is in de hemel te komen.”

Met De Martelaar kiest

het Volksoperahuis voor een nieuwe stijl. Die is grimmig. De lach om het blakende Zeeuws meisje is voorbij. Zo begint De Martelaar: Rogier Schippers hult zich in een felblauwe burka en vertelt het verhaal van de treurende moeder van de jonge tasjesdief. Haar tranen, zegt hij „zijn als kokend lood”. De vrouw die haar zoon doodt, rijdt in een BMW 7 serie, sportcoupé. Ze heeft een mobiele telefoon. Als zij een goede en nette vrouw is, dan zit ze thuis bij haar man. Het is ongepast voor een vrouw met een sportwagen, een tasje en een mobiele telefoon door de stad te rijden. Dat doen alleen hoeren. Marokkaanse jongens, die horen in een BMW coupé te rijden, maar geen blanke vrouwen alleen. Dat zijn slechte vrouwen, die over een weerloze jongen heen rijden, zo heen en weer, en nog eens. Dat slachtoffer is haar zoon, de martelaar uit de titel. Hij is doodgereden door een seksslavin met een blote buik, een „tasjeshoer”... Schippers zegt zijn monoloog met een zoetgevooisde toneelstem. Het effect is verpletterend. De tekst escaleert en krijgt iets huiveringwekkends.

Rogier Schippers: „De gebeurtenis is uitvoerig in de media belicht, er is over geschreven. Als ik de monoloog speel, dan merk ik aan de zaal wanneer de herkenning er is. Die komt met een schok. Het leven van zowel de moeder van de tasjesdief als van Germaine C. is natuurlijk kapot. We noemen de jongen Samir. In zijn vroege jeugd is hij een held als kickbokser in Amsterdam-Noord. Door de profetie van de engel krijgt de fatale gebeurtenis op die Amsterdamse straathoek iets magisch. Samir is uitverkoren. Hij handelt volgens goddelijk plan.”

Voor Schippers, Scholten en Hofmeister is de film Paradise Now van de Nederlands-Palestijnse regisseur Hany Abu-Assad een belangrijke inspiratiebron. Twee Palestijnse jongens bereiden een zelfmoordaanslag in Israël voor. Ze zijn blij, ze mogen sterven voor het heilige doel. De bommen die ze meedragen, beschouwen ze als de sleutel van de hemelpoort. Rogier Schippers: „De setting van Paradise Now lijkt ver weg, maar zo is het niet. In ons toneelstuk laten we zien dat ook in Nederland, bij iedereen vlak om de hoek, zich vergelijkbare situaties voordoen. De vorm is die van een volksopera, met liedjes en herkenbare situaties, maar ook met harde kanten.”

De Martelaar door het Volksoperahuis. Première: 19/2 Theater Frascati, Amsterdam. Tournee t/m 25/4. Inl: www.viarudolphi.nl