Stevige deuken in ons wij-gevoel

‘Dutchness’ bestáát, concludeert de Amerikaanse socioloog Ron Eyerman in een boek over de moord op Theo van Gogh. De polemiek over de ‘hardheid’ van Nederlandse identiteit duurt voort, getuige een aantal binnenlandse pamfletten en twee Amerikaanse onderzoeken.

Ron Eyerman: The Assassination of Theo van Gogh. From Social Drama to Cultural Trauma. Duke University Press, 240 blz. € 23,-

De moord op Theo van Gogh op 2 november 2004 was geen rituele daad, zegt de Amerikaanse socioloog Ron Eyerman, maar een sociaal drama, een kort verhaal met drie protagonisten die ieder voor zich geprobeerd hebben de loop van dat verhaal te beïnvloeden. Van Gogh, Hirsi Ali en Mohammed B. waren ‘rationele opportunisten’ op zoek naar erkenning en bezig om hun eigen politieke en persoonlijke belangen te behartigen.

In een wankele analyse betoogt Eyerman dat de moord op Van Gogh ook het gevolg is van de manier waarop Nederlanders zichzelf zien in het licht van hun geschiedenis. Eyerman, als hoogleraar sociologie verbonden aan Yale University, onderzocht eerder de invloed van de slavernij op de zwarte Amerikanen van nu.

De moord kreeg in de publieke opinie drie betekenissen. Eén: die van aanval op de vrijheid van meningsuiting. Twee: die van het bewijs dat de integratie van immigranten in Nederland was mislukt. En drie: het gevolg van een botsing van culturen, het ruimhartige, tolerante Nederland tegenover de fundamentalistische en intolerante islam. Vicepremier Zalm zei: ‘Het land is in oorlog met de fundamentalistische islam’.

Volgens Eyerman handelden Van Gogh, Hirsi Ali en Mohammed B. alle drie vanuit het idee van een oorlog met de islam. Dat idee was in Nederland geïntroduceerd door de onlangs overleden Amerikaanse politicoloog Samuel Huntington. In The Clash of Civilizations and the Remaking of World Order (1996) beweert Huntington dat in de 21ste eeuw conflicten tussen staten zullen veranderen in conflicten tussen culturen, meer specifiek tussen het christendom en de islam.

Eyerman laat zien hoe Nederlanders door de eeuwen heen zorgvuldig hun nationale identiteit hebben gekozen en bewaakt. Hij reconstrueert hoe Erasmus en Luther in hun dialoog de hooggewaardeerde tolerantie in het calvinisme lieten wortelen en hoe Dutchness voor burgerlijke opportunisten een superieure identiteit werd. Dutchness bracht een wij-gevoel tot stand. ‘Er bestaat onder Nederlanders een common sense dat ze behoren tot een fictieve, maar diep gevoelde gemeenschap.’

Maar Nederland lijdt volgens de socioloog ook aan culturele trauma’s, die nooit behoorlijk zijn behandeld en genezen. De deportatie van honderdduizend Joden naar concentratiekampen tijdens de Tweede Wereldoorlog, de verlegenheid die ontstond bij de repatriëring van de Indische Nederlanders en de massamoord op Bosnische mannen in Srebrenica hebben deuken veroorzaakt in ons geloof in een wij-gevoel.

Hoe kon die gedeukte nationale identiteit dan leiden tot de moord van een migrant op een Nederlander? Daar is de redenering van Eyerman toch wat dun. Hij betoogt dat de getraumatiseerde Nederlandse identiteit een mechanisme van insluiting en uitsluiting heeft ontwikkeld, plus een sterke neiging de fouten van anderen te veroordelen. Hij verwijst naar de publieke verontwaardiging over de daden van Jorge Zorreguieta, vader van de toekomstige koningin.

Volgens Eyerman is in de jaren negentig de vraag gerezen wie eigenlijk tot de nationale gemeenschap behoren. Wij Nederlanders dus, en zij uit de islamitische wereld niet. Dat uitsluitingsmechanisme, is zijn conclusie, heeft uiteindelijk de toorn van Mohammed B. gewekt.

Interessanter dan zijn theorie over ons culturele trauma zijn de portretten die Eyerman maakte van Ayaan Hirsi Ali, Theo van Gogh en Mohammed B. In 2006 verbleef hij drie maanden in Nederland om de toedracht van de moord, en de achtergrond van de betrokkenen te onderzoeken. Hij laat zien dat moslims in Nederland, ook de tweede en derde generatie, een ‘magere’ Nederlandse identiteit bezitten en een ‘volle’ moslimidentiteit. Toen Mohammed B., die deel uitmaakte van de onderklasse van migranten, er niet in slaagde succesvol te integreren, begon hij zich steeds sterker te identificeren met de moslimslachtoffers uit Bosnië, Palestina, Irak en Afghanistan. Hij verwierp de moderne wereld en het lustoord Amsterdam en zag de radicale islam als een soort patriottisme. Zijn radicalisering is in de ogen van Eyerman in de eerste plaats een verlangen naar een sociaal netwerk en pas daarna naar een ideologie. ‘Op individueel niveau’, schrijft Eyerman, ‘kun je de bekering van Mohammed B. zien als een lifestyle choice’.

Met Hirsi Ali en Van Gogh is hij sneller klaar. Zij deelden een voorliefde voor het provoceren en zochten beiden naar een breder publiek toen ze aan het maken van de film Submission begonnen. Van Gogh was een product van de jaren zeventig die een leven lang fulmineerde tegen de Hollandse burgerlijkheid en onverschilligheid, terwijl Hirsi Ali als nieuwe Nederlander een zintuig bezit voor de gevoeligheden van de Nederlanders. Al bewondert Eyerman Ayaan Hirsi Ali’s vermogen zich uit een achterstandspositie omhoog te vechten, toch portretteert hij haar als een kille persoonlijkheid met een goed gevoel voor timing en tijdgeest. Zijn vergelijking van Submission met The Satanic Verses uit 1988 valt uit in het voordeel van Salman Rushdie, omdat die niet vooraf zinspeelde op het effect van zijn boek, terwijl Hirsi Ali dat wel deed.