Slaaf in de stervensmarathon van een dode vorstin

Françoise Chandernagor: De dochters van Olga. Vertaald door Frans van Woerden. De Geus, 384 blz. € 22,50

Vinnige observaties – daar lijkt Françoise Chandernagor patent op te hebben in haar meest recente roman. ‘Vroeger was de dood een eindsprint’, laat ze haar vertelster zeggen, ‘tegenwoordig is het een marathonloop’. Of: ‘Ik heb moeten wennen aan de weggestopte dood.’ Of: ‘Als je overgevoelig bent, dán breng je het tot schrijver’. Het zijn observaties over de manier waarop er tegenwoordig wordt gestorven, over werk en moederschap, over schuldgevoelens, nostalgie en opoffering, allemaal motieven uit De dochters van Olga, de onlangs door Frans van Woerden uitstekend vertaalde roman van de Franse juriste, schrijfster en het Goncourt-jurylid Françoise Chandernagor.

Anders dan de titel van het boek doet vermoeden, is het niet de zoveelste roman over generaties vrouwen en hun ongelukkige liefdesleven, vermorzeld door mannelijke onverschilligheid of autoritaire neigingen. Mannen zijn zo goed als afwezig. Hoe de dochters van Olga elkaars zussen worden, dat is hetgene wat deze roman laat zien. In de stervensmarathon die hen wees zal maken, vinden zij elkaar – voor het eerst.

Jaren duurt het sterfproces van hun moeder, la voyageuse de nuit, zoals de Franse titel luidt. Jaren waarin de dochters, inmiddels rond de vijftig, zichzelf opofferen en wegcijferen om moeder met moed, beleid en trouw het zoveelste pilletje te laten slikken, nog een lepeltje yoghurt te voeren, haar doorligplekken te beperken. Geen sociaal leven hebben ze meer over, geen man, geen minnaar en hun zware baan wordt secundair. Wat rest is schuldgevoel, misplaatste zorg over hun verantwoordelijkheid en een masochistische opofferingsgezindheid.

Moeder, geboren in de Creuse en als twaalfjarig meisje koerierster in het verzet en mascotte van de partizanen, heeft de energieke mentaliteit van doorzetten en niet zeuren nooit afgezworen. Ze stelt de pogingen van haar dochters het haar naar de zin te maken allerminst op prijs: al maanden voor haar dood heeft ze de ogen gesloten om in de nacht te gaan reizen: ze heeft haar dierbaren in haar leven ‘meer dan genoeg gezien, maak dat je wegkomt’. Maar dat doen ze natuurlijk niet, de trouwe dochters. Ze draven, vertroetelen en behagen haar tegen de klippen op, tot ze er zelf bijna bij neervallen, ‘als slaven van een dode vorstin’.

Met meesterhand beschrijft Chandernagor, die in 1981 debuteerde met de wereldwijde bestseller L’allée du roi (over de geheime tweede echtgenote van Lodewijk XIV) en sindsdien vele historische en niet-historische romans schreef, welke macht de moeder over haar dochters heeft en hoe ze erin slaagt die tot haar laatste ademtocht in stand te houden. Haar verdeel-en-heerstactiek reikt tot over het graf heen.

Dat machtsspel wordt weerspiegeld in de compositie van de roman: de belangrijkste vertelster is Katia, de oudste dochter wier verhaal steeds wordt afgewisseld met dat van haar drie zusters. Ieder heeft een volledig andere visie op de moeder, een ander verhaal, een ander verleden. Voor de een was zij een geadoreerde heldin, voor de ander een monster, voor allen het centrum van de wereld.

Knap laat Chandernagor zien hoe in de maanden voor hun moeders dood de rollen verschuiven, de verhoudingen veranderen. Familiegeheimen komen uit, verraad, misbruik en ontrouw blijken levens bepaald te hebben. En dan stelt de auteur impliciet ook de cruciale en actuele vragen die daarbij horen: waarom wordt de dood zo weggestopt? Wat is waardig sterven, is euthanasie gerechtvaardigd en zo ja, op welk moment?

De juriste Chandernagor brengt de dilemma’s in kaart, biedt geen oplossingen, maar stelt als schrijfster de vragen die zich aandienen. Het maakt De dochters van Olga tot een indringend, tot nadenken stemmend boek, verwant aan Une mort très douce van Simone de Beauvoir.