Performance

‘Doodgaan is niet erg’, zei een experimentele performancekunstenaar tegen het plafond. Ze zat met rechte rug tegenover me op de bank en strekte haar lange benen. Ik wilde ook met zulke benen, sluike haren en die afwezige blik kunnen zeggen dat doodgaan niet erg is. Ik besloot het te proberen. Ik rechtte mijn rug, slikte een keer en vertelde haar dat ik eens doodging.

„Ik zat met mijn vriend in een restaurant en vertelde hem dat ik het fijn zou vinden als er na mijn crematie een diamant geperst zou worden van mijn as. Het zou ongeveer een ton kosten, maar dan had hij wel een onverwoestbare edelsteen waar hij een ring van kon laten maken. Toen ik hem vroeg of hij de ring wel zou dragen, begon de ruimte om me heen te draaien. Langzaam eerst, alsof ik twee flessen wijn had gedronken, en toen steeds sneller. Ik zag een vlek waar mijn vriend moest zitten en zijn woorden kwamen, alsof ze langzaam achteruitgespoeld werden, uit zijn mond. Zelf kon ik in die draaikolk geen woord meer uitbrengen.”

Omdat de vrouw tegenover me niet erg overtuigd leek, voegde ik eraan toe: „Het was alsof mijn hersenpan vacuüm gezogen werd en het licht in mijn ogen doofde. Ik wilde mijn vriend nog zeggen dat ik het niet meende, dat hij geen diamant van mij hoefde te maken. Hij had net een huis gekocht en had amper geld om zijn huis in te richten. Maar ik kon geen woord meer uitbrengen. Ik was al niet meer in de wereld.”

De vrouw op de bank keek me welwillend aan. Duurde mijn verhaal soms te lang? Verzandde ik in details? Misschien had ik het stuk over mijn hersenpan moeten weglaten, daar werd het misschien iets te dramatisch, maar ik deed een serieuze poging mijn stervenservaring over te brengen.

„Met duizelingwekkende vaart viel ik in een diep en donker heelal. Het was alsof ik door een centrifugale oerknalkracht werd meegesleurd. Ik wist dat het heelal me was komen halen en dat dit het einde was. Toch was ik niet bang. Ik kreeg een aantal onbeduidende gedachten. Ik zag de berg afwas die ik had laten staan en die iemand anders nu zou moeten opruimen. Ik vroeg me af wat er nu met mijn onvolledige boekhouding zou gebeuren en ik dacht aan de ongelezen boeken naast mijn bed. Maar wat overheerste was opluchting dat ik niets meer met de wereld te maken had. Ik loste op tussen de kleine deeltjes en werd een luchtige vlaag atomen.”

Toen ik mijn gesprekspartner aankeek om te zien of mijn verhaal al indruk op haar maakte, zag ik een vermoeide blik in haar ogen. Uit angst haar aandacht helemaal te verliezen, begon ik sneller te praten. Ik maakte er armbewegingen bij. Moest ik iets verzinnen om het verhaal meer kracht te geven? Ik deed voor hoe ik van mijn stoel was gevallen, midden in het restaurant. Ik had het er warm van. Maar hoe meer ik mijn best deed ter plekke te sterven, hoe verder de vrouw op de bank van me afdreef. Ze was in gedachten al lang ergens anders. Uitgeput bleef ik liggen, met mijn ogen gesloten.

„Het houdt je erg bezig. Misschien moet je het eens opschrijven”, hoorde ik haar uiteindelijk zeggen. Met een schok realiseerde ik me wat er schortte aan mijn verhaal. Het was te gemakkelijk van mijn tong gerold. Ik had het haar al eens verteld.