Niets zeggen tegen dat slimme jongetje Jezus

Eduardo Mendoza: De wonderbaarlijke reis. Vert. Felicitas van Wijk-Gertenaar en Ilona van der Werff-Nieuweboer. Arena, 204 blz. € 17,95

Gioconda Belli: Oneindigheid in een handpalm. Vert. Dick Bloemraad. De Geus, 188 blz. € 18,90

De Bijbel is voor de literatuur een onuitputtelijke inspiratiebron geweest, maar hoe die verwerkt is, loopt nogal uiteen. Een extreem is de roman Oneindigheid in een handpalm van de Nicaraguaanse Gioconda Belli. Haar uitgangspunt ligt in het verhaal van Adam en Eva, dat ze op een half poëtische, half spirituele manier heeft herschreven.

Het resultaat is een nogal wee boek dat vooral bewijst hoe moeilijk een mythologische manier van verwerken te verenigen is met de psychologische eisen van de moderne roman. Het is in dit geval vooral de new age-achtige ideologie die bij het lezen de tenen doet krommen.

Belli, die internationaal doorbrak met de roman De bewoonde vrouw, waarin zij de Midden-Amerikaanse realiteit van sociale strijd en guerrilla beschreef, betoont zich in dit boek een zweverige sprookjesvertelster met het idioom van de sociaal werkster. ‘Ik beschuldig je niet’, laat zij Eva tegen Adam zeggen nadat Kaïn Abel heeft vermoord. ‘Maar op het moment dat wij accepteerden dat het nodig was te doden om te overleven hebben wij toegestaan dat die noodzaak ons bewustzijn overheerste, hebben wij de wreedheid toegelaten.’

Een stuk aardser gaat het eraan toe in De wonderbaarlijke reis van Eduardo Mendoza, wiens naam verbonden blijft met de magistrale roman De stad der wonderen, over de groei van het moderne Barcelona. Geen van de talrijke boeken die hij sindsdien geschreven heeft kan in de schaduw daarvan staan en dat geldt ook voor De wonderbaarlijke reis. Maar Mendoza schreef er wel een sprankelende pastiche mee op het levensverhaal van Jezus Christus, waar het plezier vanaf spat.

Zo beaat als Belli schrijft, zo oneerbiedig vertelt Mendoza het verhaal van de berooide Romeinse edelman Pomponius Flatus, die – op zoek naar het geneeskrachtige water van wonderbaarlijke rivieren – aan het begin van de jaartelling in het stadje Nazarath verzeild raakt. Daar neemt een jonge timmermanszoon hem in de arm om de misdaad te onderzoeken waarvan diens vader vals beschuldigd wordt. De rijkaard van de stad is vermoord, en deze Jozef dreigt daarvoor te worden terechtgesteld aan het kruis dat hij, als enige bekwame vakman, eerst zelf in elkaar moet timmeren.

Mendoza moet zich verkneukeld hebben bij het schrijven van dit boek, dat stap voor stap teruggrijpt op voorvallen die wij kennen uit de evangelieverhalen. ‘Ze vinden dat drie kruisen op een heuvel een mooi harmonieus beeld oplevert,’ zegt de Romeinse tribuun over het sanhedrin, nadat er nog eens twee Joodse ‘vrijheidsstrijders’ zijn veroordeeld. ‘We moeten geen kwaad met kwaad vergelden’, heeft Jozef dan al tegen Pomponius gezegd, ‘we moeten onze vijanden vergeven en ze liefhebben.’ Het speurdersdrama eindigt met het mysterie van een leeg graf, waaruit de vermoorde rijkaard na drie dagen blijkt te zijn opgestaan.

Mendoza heeft een amusant boekje geschreven waaruit soms onweerstaanbaar de sfeer van Asterix, dan weer die van The Life of Brian opstijgt. Caesars De Gallische Oorlog komt er even in langs, en tenslotte mag Pomponius als een ware Hercule Poirot het hele plot uit de doeken doen voor een ongelovig toeluisterend sanhedrin. Aan het eind van de roman ziet hij af van het honorarium dat hem voor zijn moeite was beloofd. ‘Hou het geld maar, maar niets tegen Jezus zeggen,’ zo vertrouwt hij diens moeder Maria toe. ‘Hij is een slim joch, hij zou retorica kunnen gaan studeren, of fysiologie of iets anders, zolang het maar niets van doen heeft met religie.’