Meningsuiting is niet verplicht

De polemiek over de ‘hardheid’ van Nederlandse identiteit duurt voort.

Dat blijkt ook weer uit een aantal Nederlandse pamfletten.

Het integratiedebat is nog altijd één van de belangrijkste pistes van politieke en intellectuele krachtmeting. Dat komt mede doordat het thema ‘integratie’ besmettelijk werkt – het verbindt onderwerpen als huisvesting, religie, seksualiteit, burgerparticipatie en opvoeding. Het integratiedebat wordt in Nederland gedomineerd door wat ik noem het ‘multiculturealisme’. Dat veronderstelt dat we ooit links en politiek correct waren en aan multiculturalisme deden, maar dat we tot inkeer zijn gekomen. We zijn nu realisten en ‘noemen de dingen bij de naam’.

Het multiculturealisme is een retoriek die het de linkse politiek moeilijk heeft gemaakt. Want hoewel ‘links’ nooit het gewraakte beleid heeft gevoerd (want niet aan de macht was), is het toch ‘links’ dat het gedaan heeft. Op links zijn daarom aanpassingsstrategieën te zien. De SP is van ‘oude’ naar ‘nieuwe politiek’ gegaan; GroenLinks en D66 hebben geprobeerd zich het liberalisme toe te eigenen en de PvdA heeft voor de biecht gekozen. Daarom kwam de partij in december met een resolutie (Verdeeld Verleden; Gedeelde Toekomst) die als mosterd na de maaltijd smaakt.

Ook in het januarinummer van het blad Socialisme & Democratie van de Wiardi Beckmanstichting worden oude discussies overgedaan zonder nieuwe argumenten. Het ‘vermijden’ is voorbij en het ‘benoemen’ moet beginnen. De ‘acceptatie’ zien de auteurs vooral in het benadrukken van Nederlandse waarden via een discussie over alle bekende clichés, van radicalisering tot boerka. Het is duidelijk dat de PvdA integratie alleen als relevant ziet voor moslims. En daarover wordt niets gezegd wat andere partijen nog niet hadden geconcludeerd. Het is ergens aandoenlijk dat PvdA-politici sinds 2000 zich nog steeds alleen door dezelfde journalistieke intuïties van Paul Scheffer laten informeren, terwijl de VVD de meeste van de conclusies uit Socialisme & Democratie in 1994 al trok.

Evenzeer bevangen door een verder onbevraagd multiculturealisme is Joost Zwagermans Hitler in de polder & Vrij van God. Het punt van deze twee essays is dat het publieke debat in Nederland in de ban is van een ‘witte culturele elite’ die met twee maten meet. Deze ‘Hollandse elite’ is wel akkoord met kritiek op het christendom, maar houdt moslims de hand boven het hoofd.

Zwagermans stelling berust echter voornamelijk op de nooit onderzochte aanname dat er zo’n ‘elite’ bestaat. Want uit wie bestaat die elite dan eigenlijk? Een inventarisatie van Zwagermans zeventig pagina’s levert op: Hugo Brandt Corstius (35 keer genoemd); Jan Blokker (30 keer); Frits Abrahams (13 keer); Bas Heijne (12 keer); Geert Mak (11 keer); Jacques van Doorn (6 keer); Huub Oosterhuis (4 keer); Harry de Winter (2 keer) en Marcel van Dam (1 keer). Al met al wordt duidelijk dat Zwagermans ‘culturele elite’ alleen in de krant leeft en op Bas Heijne en Harry de Winter na de zestig gepasseerd is. Het is moeilijk je aan de indruk te onttrekken dat een publicist hier zijn belangrijkste concurrent (Heijne) en de generatie boven hem van de troon probeert te stoten om zelf voorganger van een nieuwe, multiculturealistische elite te worden. Wat tragisch is, is dat veel van de genoemden toch alleen vanuit een microkosmos gezien kunnen worden als ‘de culturele elite’ in Nederland. Er zitten invloedrijke columnisten bij, maar evenveel die al lang door Zwagermans leeftijdgenoten, met wie hij niet in discussie gaat (Marjolijn Februari, Sylvain Ephimenco, Mohammed Benzakour), zijn ingehaald. Misschien is het te veel eer je generatiegenoten te omschrijven als ‘elite’.

Dit boekje is een discussie van een publicist met publicisten, waarbij Zwagerman meer met de vinger wijst dan analyseert. Als een bespreking van vooral Brandt Corstius en Blokker, beiden de zeventig gepasseerd, de constructiefste bijdrage is die Zwagerman kan leveren aan een debat waarin zoveel op het spel staat, moet iemand hem eens vertellen er gewoon niet meer over te schrijven. Of er anders een keer echt werk in te steken.

Dat laatste kan Dick Pels zeker niet worden verweten. In Opium van het volk geeft Pels een vaak genuanceerde en altijd onderbouwde analyse van de plaats van religie in de democratie. Hij ontkracht het idee dat de staat neutraal is en dat religie geen onderdeel van de publieke sfeer zou mogen vormen. Hij pleit voor een kritisch relativisme dat er vanuit gaat dat geen enkele waarheid absoluut is. Ook de seculiere waarheid dus niet, en dat geeft plaats aan religie, zij het aan liefst zo ver mogelijk afgezwakte vormen daarvan. Tegelijk is Opium van het volk, zoals de titel al doet vermoeden, een marxistisch geïnspireerde religiekritiek. Religie, stelt Pels, creëert haar eigen werkelijkheid vooral als coping strategy voor de moeilijkheden van het leven.

Pels probeert de religiekritiek die rechts zich in het integratiedebat heeft toegeëigend terug te halen naar vrijzinnig links. Dat leidt tot paradoxen. Want de marxistische religiekritiek is een even arrogante waarheidsclaim als het door Pels bekritiseerde atheïstische secularisme. Daarom komt religie – Pels geeft het zelf toe – er steeds net iets minder goed af dan andere waarheden. Religie bestaat uit woorden en die zijn performatief, werkelijkheidsscheppend. Maar dezelfde nadruk op de performativiteit van taal ontbreekt wanneer Pels pleit voor het afschaffen van wetsartikelen omtrent discriminatie. Het blijft bovendien onduidelijk of volgens hem echte democratie zich wel religie kan permitteren.

Pels schetst religie in stereotypen. Hij ziet het als waarheidsclaim, als concurrent dus van wetenschap, terwijl dat het beeld van religie is dat alleen orthodoxe letterknechten en radicale atheïsten delen. Religie is voor Pels per definitie collectivistisch, iets van ‘zware gemeenschappen’, terwijl bekend is dat juist ook ‘radicale’ vormen van religie tegenwoordig sterk individualistisch zijn. En ‘gemeenschappen’, dat zijn al te vaak alibi’s voor het identificeren van ‘culturen’.

Geheel in de multiculturealistische tijdgeest brengt Pels dan problemen rond homoseksualiteit en de rechten van de vrouw in verband met ‘moslims’ in het algemeen. Een moslim dient zich, ongeacht zijn of haar manier van leven, te verantwoorden. Homoseksualiteit moet, stelt Pels, in iedere gemeenschap bespreekbaar zijn.

Daarbij gaat hij soms mee in de westerse neiging mensen in homo- of heterocategorieën te plaatsen, terwijl antropologen vaak hebben aangetoond dat in talloze islamitische landen seksualiteit tussen gelijke seksen in allerlei tussenvormen bestaat. Bovendien lijkt een vrijzinnige democratie alleen maar ruimte te geven voor het vormen van een ‘gemeenschap’ waarin homoseksualiteit bespreekbaar is. Maar de vrijheid van meningsuiting kan moeilijk vervallen tot de plicht meningen te uiten.

Het is uiteindelijk de vraag of een marxistisch geïnspireerde religiekritiek geen oog moet hebben voor het feit dat religie vooral wordt geproblematiseerd bij een onderklasse. Religiekritiek draagt zo bij aan het in stand houden van sociaal-economische ongelijkheid. Is dus, zoals VU-antropoloog Oscar Salemink opperde, secularisme niet eigenlijk opium van het volk?

Pels schippert nogal eens in dit boek. Maar dat is precies de waarde die hij predikt: het schipperen. Daarbij legt hij zijn kaarten op tafel, en dat levert een waardevolle bijdrage aan het debat op.

Joost Zwagerman: Hitler in de Polder & Vrij van God. Arbeiderspers, 71 blz. € 8,95 Dick Pels: Opium van het Volk. De Bezige Bij, 181 blz. € 15,-

Socialisme en Democratie. Nummer 1/2 jaargang 66 (Boom, 121 blz. € 9,50) is te verkrijgen via www.wbs.nl