Laten we eens in de spiegel kijken

Willem Asman is schrijver van thrillers en heeft een adviesbureau.

Al schrijvend aan zijn laatste boek wilde hij de ellende in Afrika oplossen.

„Wij zijn murw van de Afrikaanse toestanden, aids, honger, kindsoldaten, genocide, dat eeuwige gewacht op de nieuwe fucking Mandela. Niemand snapt het meer en niemand wil het nog snappen.” Dit zijn de woorden van een dronken CNN-journalist in Wondermans Eindspel, de derde roman van de Nederlandse thrillerschrijver Willem Asman.

Asman (49) is een van de talentvolste Nederlandse thrillerschrijvers. Hij schreef twee eerdere boeken, De Cassandra Paradox en Britannica, die juichend werden ontvangen. Ondanks deze kritieken, kan Asman nog niet leven van de literatuur. Hij verdient zijn brood met een adviesbureau voor management en communicatie. Daarnaast is hij voorzitter van het Genootschap voor Nederlandstalige Misdaadauteurs, al schrijft Asman allesbehalve traditionele whodunnits.

Wondermans Eindspel is een razend spannend boek. Het gaat over Jaap Vos, die als Speciaal Afgezant van de Verenigde Naties afreist naar een naamloos Afrikaans land, dat hij moet behoeden voor een verwoestende burgeroorlog en een humanitaire catastrofe. Daarbij gaat Vos volkomen onorthodox te werk. Hij doet sterk denken aan Jan Pronk: een idealist en een doordrammer, die alles opzij zet voor zijn grote liefde Afrika. Hij probeert de internationale gemeenschap wakker te schudden, te herinneren aan de belofte dat ‘het nooit meer zou gebeuren’. Maar de wereld haalt de schouders op, murw van alle Afrikaanse toestanden. Wondermans missie lijkt gedoemd om te mislukken.

Volgens uw uitgever heeft u dit boek geschreven uit woede en frustratie over Afrika. Is dat zo?

„Ik ben nogal onbescheiden van aard. Ik begon eraan met het idee: ik ga de ellende in Afrika oplossen. Afrika bestaat natuurlijk niet. Het zijn 53 landen, met vaak een totaal verschillende taal, cultuur en geschiedenis. Afrika is ook een clichébeeld van ellende. Daar ben ik mee aan de slag gegaan.De afgelopen drie jaar heb ik de ontwikkelingen op het continent op de voet gevolgd. Zoals dat gaat vanuit Nederland: boeken, kranten, televisie. Ik zag alle clichébeelden, die ook in het boek voorbij komen: fraude bij de verkiezingen, corruptie, staatsgrepen, burgeroorlogen, kindsoldaten.

Ik wilde snappen wat daar aan de hand is, en vooral wat de oplossingen zijn. Ik zag dat de internationale gemeenschap steeds dezelfde reflexen heeft: het simplificeren van een conflict: goed tegen slecht, gematigden tegen extremisten. Maar de werkelijkheid is complexer. Als we beelden van de slachtoffers zien, dan storten we een tientje en roepen op tot ingrijpen. Maar die reflexen zijn geen oplossing. Als je kijkt naar wat we de afgelopen decennia hebben klaargespeeld, moet je constateren dat we niet bijster effectief zijn geweest.”

Wat is volgens u de oplossing?

„Ik probeerde een grote lijn te ontdekken. Normaal gesproken, als je een probleem van een afstandje bekijkt, dan moet je een oplossing kunnen vinden. Maar het was hopeloos, ik kwam er niet uit. Hoe meer ik me erin verdiepte, hoe meer ik verstrikt raakte in hoe het er daar werkelijk aan toe gaat en hoe minder ik begreep. En mijn woede en frustratie daarover werden alleen maar groter.”

Terwijl u van plan was ‘Afrika’ wel even op te lossen?

„Ik dacht werkelijk dat ik het kon. Totaal onbescheiden. Dat heb je ook nodig bij het schrijven. De dichter Ilja Leonard Pfeijffer zei ooit: als ik een boek schrijf, moet ik geloven in mijn eigen genialiteit. Anders lukt het niet. Ik dacht: uiteindelijk is het een soort puzzel en als ik de stukjes op de juiste plek zet, dan kan ik de oplossing vinden. Dat is de menselijke droom. Dat we alles kunnen beheersen, kunnen begrijpen, kunnen oplossen. Jij probeert ook grip te krijgen op zaken die je interesseren. Dat is vergelijkbaar.”

Het lukte u niet om een oplossing te vinden. Wat gebeurde er toen?

„Frustratie is het begin van inspiratie. Als het schrijven te gemakkelijk wordt, een kunstje, dan ontstaat er niet een goed boek. Na vier maanden schrijven vond ik het boek mislukt. Omdat ik de oplossing niet had gevonden. Ik had mezelf, in al mijn onbescheidenheid, een onmogelijke taak gesteld. In alle oprechtheid, maar toch. Maar toen het af was, dacht ik: is dit het nou?

Het boek eindigde toen met Jaap Vos, die zich met explosieven opblaast tijdens de ondertekening van het vredesverdrag. De stuwdam stort in, iedereen verdrinkt en we beginnen opnieuw. Uit pure woede, onmacht en frustratie. Maar dat was een volkomen irreëel einde. Ik dacht: het grote project van Asman is mislukt. Mislukt als schrijver. Mijn vorige boeken: ook slecht.”

Hoe begin je dan weer?

„Ik heb het boek een paar maanden weggelegd en heb even een stapje teruggedaan. Dat is de redding geweest. Ik weet uit ervaring dat ik een klein mannetje in mij heb dat nogal kan overdrijven. Dat ik zo in mijn eigen gelijk kan geloven dat ik mijn eigen kuil graaf. Ik keek in de spiegel en zag: je bent net zo overtuigd van jezelf als de rebellenleider, als de president, als de VN. Dus zei ik tegen mezelf: hou toch eens op met boos zijn en iedereen de schuld te geven.

Voor Jaap Vos gold hetzelfde: even een stapje terug. Jaap Vos is een cliché van wat wij nu zien bij de VN. Natuurlijk is zijn overtuiging en zijn bevlogenheid echt: ‘We moeten ingrijpen, er is geen alternatief. We kunnen die mensen niet in de steek laten.’ Maar daarmee heeft hij vijftien jaar eerder ook geen duurzame vrede bereikt. Hij legt de schuld in eerste instantie bij de ander. Die moet eens in de spiegel kijken. Maar dat is de wortel van alle conflicten.

Toen mijn woede was weggeëbd, heb ik meer mededogen met Jaap Vos gekregen. Ik heb hem meer mens gemaakt. Ik heb hem ook in de spiegel laten kijken. Het is een dramatische stap, want hij komt voort uit twijfel over zijn eigen rol. Stel nou dat alles waar je je hele leven in hebt geloofd en waarvan je zeker wist dat het goed was voor de wereld, niet blijkt te zijn wat je dacht dat het was. Misschien is er een andere manier?”

Jaap Vos gaat twijfelen aan zijn eigen betrokkenheid. Maar wat is daarvan de consequentie? Moeten we dan niet ingrijpen?

„Dat is niet noodzakelijkerwijs wat ik zeg. Het is niet zo zwart-wit. Ik zeg alleen: laten we eens in de spiegel kijken, onze eigen rol kritisch tegen het licht houden. Niets menselijks is mij vreemd. Ook ik ben overtuigd van mijn eigen gelijk en dat kan je blind maken. Dat heb ik van Jaap Vos geleerd.

Dit zie je ook terug in de wereldpolitiek. We hebben een situatie gecreëerd waarin het gaat om een paar seconden dat er aandacht is voor een conflict. De hulporganisaties hebben pr-afdelingen, willen zoveel mogelijk donateurs en hebben belangen bij het beeld van zielige vluchtelingen. Net zoals ik dacht dat ik Afrika wel even zou oplossen, denken ze dat bij de VN ook. Ze zitten vast in die verstarde reflex: we moeten ingrijpen, er is geen alternatief. Maar dat is er natuurlijk wel. Tussen ingrijpen en nietsdoen zitten allerlei nuances.

Veel vredes die in de jaren negentig aan de onderhandelingstafel zijn gesloten, zijn na vijf jaar weer ontaard in oorlog. De onderliggende oorzaken zijn niet weggenomen en iedereen geeft elkaar de schuld. Dat is de conclusie die ik trek. We moeten eerst kijken naar onszelf, naar onze eigen rol. In die zin is die frustratie echt nodig geweest om tot deze boodschap en tot dit boek te komen.”