Jouw openingen behoren mij toe

De jeugd is de plaag die bestreden moet worden in het fascistische dorp dat Tomas Lieske schetst. Zijn novelle lijkt wel op een satire – maar dan zonder humor.

Tomas Lieske: Een ijzersterke jeugd. Querido, 126 blz. €14,95

Drie van de vier nationaal-socialisten die figureren in Een ijzersterke jeugd van Tomas Lieske heten dr. S. en één houdt een dagboek bij dat begint met de opmerking ‘Ik ben een aimabel mens’. Dat is tevens de eerste zin van deze novelle, waarin geen enkel aimabel mens voorkomt.

Lieske laat zijn verhaal spelen in een niet nader genoemd fascistisch land in een onbestemde tijd. In een (waarschijnlijk) Duits of Oostenrijks bergdorp raakt een kind vermist, waarna de burgemeester de hulp inroept van geüniformeerde partijfunctionarissen. De mannen vorderen het grootste huis van het dorp, na een familie met negen kinderen op straat te hebben gegooid, en gaan aan de slag. Hun taak is ‘het zo volledig mogelijk registreren, van de totale bevolking en van de vreemdelingen en oplossen van de verdwijning waar men ons voor had gevraagd.’

Wat Lieske precies wil uitdrukken met dit politiek geladen verhaal is niet helemaal duidelijk. Je zou de karikaturale beschrijving van de vier nationalistische vreemdelingenhaters kunnen lezen als een satire op figuren als wijlen Jörg Haider, Filip de Winter en Geert Wilders. Alleen bij satire hoort humor en die ontbreekt bij Lieske.

Een ijzersterke jeugd lijkt dus eerder realistisch dan sarcastisch bedoeld. De belangrijkste plaag die de fascisten in het dorp moeten bestrijden is de jeugd. ‘De ouders letten te weinig op deze kleine krengen. Zij krijgen de kans hun eigen maatschappij te ontwikkelen en dat is een afschuwelijk denkbeeld’, constateert dr. S. Het ergste is dat de jeugd samenkomt op een plek waar niemand op hen let. ‘Op deze manier ontstaan tal van ongewenste verbintenissen. Incestueuze, rasonzuivere, arm met rijk, intelligent met achterlijk. Er lopen geestelijk gehandicapten rond. Zieken. Want waar letten die kinderen op? Of het benodigde bedrag voor een seksueel avontuurtje bijeengebracht wordt. Het is godgeklaagd.’

Om over een spion te kunnen beschikken, lijven de vier op SA-mannen lijkende figuren een 14-jarig meisje in, de blonde Augustine. Ook zij houdt een dagboek bij, dat zich qua stijl en woordkeuze nauwelijks onderscheidt van dat van dr. S en dat voor een deel dan ook door hem wordt bewerkt. In de hoofdstukken waarin Augustine aan het woord komt, lezen we niet alleen dat zij aan seksuele intimidatie van haar nieuwe gebieders blootstaat, maar ook dat zij door haar dorpsgenoten als collaborateur en verraadster wordt beschouwd. Ze voelt zich zowel slachtoffer van de ordebewakers als van haar vijandige dorpsgenoten.

Augustines verhalen laten zien dat de dorpsjeugd, inclusief zijzelf, uit tuig bestaat, wel bijna even erg als het fascistentuig. De jongeren discrimineren iedereen die afwijkt, dwingen elkaar tot seksuele handelingen, koeioneren en mishandelen de zwakken. Augustine heeft zich daar, samen met haar vriendje Joachim Nouseul, ook schuldig aan gemaakt.

Wat de jonge spionne niet weet is dat de nazi’s bij het zoeken naar een zondebok voor de verdwijning van een kind haar vriendje als vreemdeling hebben aangemerkt. ‘Nooit, nooit worden lieden als Nouseul, die vreemdelingen, een onderdeel van onze eigen harmonische bevolking’, meent dr. S. ‘Ze brabbelen hun eigen taal en leren nooit zich hoogstaand uit te drukken. Nouseul. Nouseul. Tot diep in de naam blijven het vreemdelingen die weigeren zich fatsoenlijk te laten registreren. Ze hebben geen paspoorten. Ze verklaren zich tot ongebonden eenlingen, die geen deel willen uitmaken van ons volk.’

De associaties die zulke teksten bij de lezer oproepen kunnen zowel historisch als actueel zijn, wat een vervreemdend effect heeft. Maar even later wordt de aimabele dr. S weer zo duidelijk een klassieke nazi, dat een mogelijke parallel met eigentijdse vreemdelingenhaters verdwijnt. Zo verbiedt dr. S. Augustine seksueel contact met Joachim Nouseul te hebben. ‘Het is verboden om hem in alle genot op te winden en zijn giftig geslacht bij jezelf naar binnen te steken. Je openingen behoren aan ons, je ingewanden behoren aan ons vaderland, je lichaam behoort aan iemand die van ons volk is.’

Augustine behoort volgens dr. S. aan hemzelf toe. Hij zal haar dwingen met hem te trouwen om haar vervolgens precies zo te behandelen als hij de vreemdelingen verwijt dat ze hun vrouwen behandelen. ‘Ik zal aankondigen dat ik Augustine als vrouw mee zal nemen naar de hoofdstad, dat ik haar aan mijn huisraad zal toevoegen. [...] Zij zal vanaf dat moment gekleed gaan in gewaagde dirndl-jurken. Zij zal mij en mijn vrienden de kannen reiken en van tijd tot tijd zullen we haar naakt opwerpen en zij zal vliegen als de duiven.’

De conclusie moet wel luiden dat het allemaal primitieve, stompzinnige schoften zijn, zowel de klassieke nazi’s als de vreemdelingenhaters van vandaag, maar dat de onopgevoede, tot misdaad, collaboratie en verraad geneigde jeugd daar niet ver vanaf staat. Lieske probeert één en ander, net als dr. S., in schema’s onder te brengen.

Overzichtelijk, dat wel, maar verrassend of zelfs ook maar in de verte shockerend is deze parabel niet te noemen.