Hoon voor de paapse santenkraam en superstitiën

Edwina Hagen: ‘Een meer of min doodlyken haat’. Antipapisme en cultureel natiebesef in Nederland rond 1800. Vantilt, 320 blz. € 24,90

Antipapisme, dat wil zeggen kritiek, hoon of spot ten opzichte van de rooms-katholieke (paapse) kerk, is een vast bestanddeel van de Nederlandse geschiedenis. De belangrijkste bron is de Reformatie. Antipapisme is dikwijls de voortzetting van de kritiek van 16de-eeuwse hervormers. Protestanten kunnen niet alleen in prediking maar ook in hoon en spot afstand nemen van de paapse ‘superstitiën’ (bijgeloof).

Een andere bron is theaterkritiek: de roomse kerk kent gewijde ambtsdienaren, een reeks van kleurrijke rituelen en van volksdevoties. Dat zijn even zo vele mogelijkheden om zich als burgerlijke elite te onderscheiden van de ‘santenkraam’. Tenslotte is er het dogma van de onfeilbaarheid van het pauselijk leergezag (1870), dat een permanente uitdaging is aan de geest van het kritisch onderzoek.

Overigens is het antipapisme niet eerst ontstaan dan in de eeuw van de Reformatie. Er zijn in de middeleeuwse kerk kritische argumenten geuit tegen de eigen rijkdom en verwording, die later als antipapistisch zouden worden opgevat. En voor zover die kritiek een Nederlands karakter draagt, gaat het om een inheems verlangen naar soberheid en eenvoud in de religie.

Het Nederlandse katholicisme was op z’n mooist in de intimiteit van de middeleeuwse altaarstukken en begijnhoven. De Moderne Devotie met haar nadruk op eenvoud is meer eigen aan de Lage Landen dan de ostentatieve rijkdom van een barokke kerk in de Contrareformatie. Die zijn hier dan ook niet of nauwelijks te vinden.

De historica Edwina Hagen schreef een proefschrift over antipapisme rondom 1800. Ze verbindt dat met ‘cultureel natiebesef’. Dat betekent dat antipapisme ook de consequentie is van een bepaald idee van Nederland: de idee van een burgerlijke protestantse natie. Katholieken zijn daarin de buitenstaanders. Deze vorm van maatschappelijke uitsluiting werd zichtbaar in de afkeer van een meestal homogeen katholieke bevolking in de Generaliteitslanden (Brabant). Daar kon katholicisme worden vereenzelvigd met achterlijkheid. Die houding vindt men in mindere mate ten aanzien van de rooms-katholieke medeburgers in de belangrijke gewesten van de Republiek.

Zo lang deze zich gedeisd hielden in hun schuilkerken en een kerkbelasting (recognitiegelden) betaalden, was de tolerantie reëel. Alleen in tijden van crisis sloeg het antipapisme nog wel eens toe en dan niet alleen in woorden.

Edwina Hagen concentreert zich op de periode rondom 1800. Dat is de tijd, waarin dankzij de Bataafse Revolutie de katholieken (en calvinistische dissenters zoals de remonstranten en ook de Joden) volledige burgerrechten kregen en aan verkiezingen voor de Nationale Vergadering konden deelnemen.

Het is ook de tijd waarin de scheiding van kerk en staat werd afgekondigd met als gevolg dat de gereformeerde kerk en haar lidmaten het staatkundige en administratieve alleenrecht verloren. Dat is een paradox: de gelijkstelling bleef gepaard gaan met antipapistische publicaties. Het lijkt erop, dat de Bataafse elite met de ene hand geeft – juridische emancipatie – wat zij met de andere hand neemt; hoon van een vrijgemaakt katholicisme.

Opmerkelijk is ook de theatrale spot van de nonnen en paters. Kloosters waren tijdens de Opstand tegen de Spaanse koning in de Republiek geconfisqueerd en omgebouwd tot universiteitsgebouwen of prinsenhoven, behalve in enkele ‘buitenlandse’ enclaves in Staats Brabant. De jezuïetenorde, ook al onderwerp van scherpe kritiek en wilde speculaties, was in 1773 door paus Clemens XIV opgeheven.

Het antipapisme wordt dan ook gevoed door buitenlandse voorbeelden: de militaire dreiging van het katholieke Frankrijk (van vóór de Revolutie) of het besluit van de Habsburger keizer Jozef II in 1783 om in ‘zijn’ zuidelijke Nederlanden 150 contemplatieve kloosters op te heffen.

Edwina Hagen zocht haar bronnen in de literatuur, het theater en de opiniepers. Ze blijft dicht bij haar teksten en dat geeft haar boek het aanzien van een (leesbare) opsomming. Er wordt niet of nauwelijks melding gemaakt van reële incidenten of gewelddaden.

Hagen richtte haar aandacht op een ‘communicatiegemeenschap’, waarin discussianten optreden maar geen daders. De kritiek is vooral een distinctiedrang, een streven om zich te onderscheiden in een literair of cultureel nationalisme van protestantse snit. Het gaat niet meer om rechten maar om (elitair) bewustzijn. Want in de eeuw na de Franse Revolutie, waarin in Europa de kerk geleidelijk van de staat wordt gescheiden en de godsdienst even geleidelijk wordt geprivatiseerd, blijven nationale elites vasthouden aan één nationale religie. En dat is in Nederland het calvinisme. Niet toevallig want dat is bevochten in een langdurige Opstand. En tijdgebonden in de opbouw van de 19de-eeuwse natiestaat. Antipapisme is dan een kwestie van doelbewust nationale cultuur.