Het moest over de gure buren gaan

De beestachtige lieden in het helse huishouden waarin ‘Triomf’ speelt, zijn nooit wezensvreemd. En daarom komen de klappen in dit gezin zo hard aan bij de lezer.

De familie uit Triomf is wel met de Tokkies vergeleken, maar werkelijk: de Tokkies zijn welzijnswerkers vergeleken met de karakters uit de roman van Marlene van Niekerk. Niet alleen in hun omgangsvormen, maar ook in hun beschavingsniveau. Hoe laag je de Benades dienaangaande moet plaatsen, blijkt uit de portee van het eerste hoofdstuk van Triomf.

Dat hoofdstuk heet ‘De honden’ en daarin maken we kennis met Mol, Treppie, Pop, Lambert, Toby en Gerty. De eerste vier zijn mensen, de laatste twee hun honden. Maar dier en mens lopen in die eerste bladzijden zo door elkaar (en de namen zijn ook niet echt onderscheidend) dat je moet blijven opletten wie wie is, wie wat is.

Van dat effect is Van Niekerk zich bewust, getuige het einde van het hoofdstuk, waarin Treppie en Lambert een woest gejank de avondlucht in slingeren, met de bedoeling om alle honden in de buurt aan te laten slaan. Dat lukt: binnen de kortste keren giert het tot ver voorbij de horizon van het hondengehuil. Het zal niet vaak zijn voorgekomen dat een romanschrijver zijn personages een succesje laat beleven dat zo wrang is: de familieleden uit Triomf zijn de honden de baas, of nee: zelfs de honden denken dat zij hun soortgenoten zijn.

En dan is de volle omvang van de incest in het viermanschap je nog niet eens duidelijk geworden, heeft het (onderlinge) geweld zijn hoogtepunt nog niet bereikt, is nog halfduister hoezeer deze mensen de gevangenen zijn van hun lichamen en hun driften. Wat Van Niekerk schildert, is een beestenbende.

En die beesten, zijn blanken. Juist op het moment, in 1994, dat de zwarten na decennia apartheid in Zuid-Afrika niet langer als inferieur zouden gelden, schreef Van Niekerk een roman waarin uitgerekend de blanke personages een stevige zet richting dierlijkheid krijgen. Dat is een statement op zichzelf en Triomf wordt dan ook vrijwel altijd beschouwd in het licht van die overgang van het oude naar het nieuwe Zuid-Afrika. De roman als illustratie van wat het land met arme blanken heeft gedaan, en ook als waarschuwing tegen al te veel hoop.

De Benades staan symbool voor méér, wat in de roman wordt geïllustreerd door hun voorgeschiedenis die geleidelijk aan uit de doeken wordt gedaan én de naderende verkiezingen in het ‘nieuwe’, vrije Zuid-Afrika (overigens werkt het promotieteam van de Nationale Partij vooral op het libido van de zoon des huizes). Die bredere maatschappelijke laag maakt Triomf een steeds behapbaarder roman. Het is ook een geruststelling: je leest weliswaar hoe een moeder zich dankzij haar zoon ‘van onderen helemaal kapot’ maakt, maar die gruwelen doorsta je niet voor niets. Uiteindelijk gaat om het idee dat de schrijfster tot uitdrukking wil brengen, over de politieke en sociale situatie in Van Niekerks land, over het incestueuze karakter van het Afrikaanse nationalisme.

Maar zo helder had ze het aanvankelijk niet voor ogen, zei de auteur in 2000 tegen deze krant. Van Niekerk woonde zelf een paar jaar in de wijk Triomf van Johannesburg, tegenover een gezin zoals ze het nog nooit had gezien. „Echt verloederde mensen.” Van Niekerk besloot die buren te fictionaliseren en te verbinden met de geschiedenis van haar land, al wist ze nog niet precies hoe. „Het was de eerste roman die ik schreef”, zei Van Niekerk in het interview, „en het liep helemaal uit de hand. Ik dacht: hoho Van Niekerk, dit kun je niet máken! Ik schokte mezelf met dat boek. Ik schreef als een waanzinnige, ik werd gedreven door het Afrikaanse bargoens dat ik zelf creëerde en dat als het ware de inhoud provoceerde, en pas op zeker moment zag ik: o, dus dít is waar het over gaat?”

Waarmee Van Niekerk zichzelf schokte – en waarmee ze ons schokt – is niet de metafoor die de Benades zijn, maar de Benades zélf. Want hoezeer Treppie en Lambert zich ook misdragen, hoe weinig ruggengraat Pop en Mol ook tonen, Van Niekerk laat ze nooit echt wezensvreemd worden. De innerlijke monologen van de hoofdpersonen dwingen je tot empathie, waarna je een volgende klap in dit helse huishouden des te harder voelt aankomen. Zelfs als die klap niet komt, zoals in het vijfde hoofdstuk, waarin alles goed gaat: Pop wint met krasloten, de brievenbus wordt gerepareerd, de auto gaat niet stuk en in het restaurant breekt geen rel uit en aan het eind van de avond draagt men elkaar liefdevol de trap af. En het gekke is dat je al lezend niet kan geloven dat dit inderdaad, zoals Pop keer op keer beweert, een geluksdag is. Het móét wel misgaan, denk je – pas als de dag voorbij is realiseer je je dat het echt een mooie dag was. Uitzonderlijk en alweer afgelopen, want niet lang daarna gaat de brievenbus weer aan gruzelementen, als kleinste schade in een veldslag met de buren.

Natuurlijk is Triomf een belangrijke roman over het oude en het nieuwe Zuid-Afrika. Maar het is vooral schokkend om wat het aanvankelijk was: een roman over de buren. De buren van wie we weten: als zij een luid gehuil aanheffen, herkennen we het als het onze.

‘Triomf’ (vert. Robert Dorsman en Riet De Jong-Goosens) is onderdeel van de ‘AfriCanon’-box, te bestellen via nrc.nl/extra