Gevaar en zweetlucht

In een tweewekelijkse serie over boeken die bijna onopgemerkt bleven, nu zeeslangenproza over de onderzeeboot

Bij een boek met de titel Geschiedenis van de onderzeeboot kun je je een mooi essay voorstellen over het in elke mens aanwezige verlangen om een vis te zijn en snel en soepel door de wateren te schieten. Over de oergeborgenheid van veilig in een groot zeedier te zitten. Het baarmoedergevoel van Jonas in de wallevis. Over het plezier van verstoppertje spelen en af en toe door je periscooppijpje te loeren. Er zit een hele cultuurgeschiedenis vast aan de onderzeeboot, van Jules Verne tot en met The Beatles. We all live in a yellow submarine.

Of je zou een beschrijving verwachten van de omstandigheden aan boord. Niet op een open dag in de marinehaven, als de zon schijnt en de kapel speelt en iedereen in en uit mag lopen, maar midden in een oorlog, al dagen lang onder water. Stinken, zweetlucht, olie, muf, vochtig, donker, gevaar. Hoe waren de onderzeebootbewoners er dan aan toe? Hoe zat het met seks, poepen, verveling? Hoeveel zijn er gek geworden? Of je zou iets willen lezen over de schoonheid van de ontwerpen. De wendbaarheid en de sierlijkheid van de slanke sigaren. De doelgerichtheid van de torpedo. Of iets over het jargon dat de submannen spreken aan boord van hun sub.

Maar niets van dat alles in Geschiedenis van de onderzeeboot. Het lijkt nog het meest op een studieboek voor een militaire academie, verplicht voor het vak Onderzeebootgeschiedenis I: dat is de periode tot 1950, tot aan de komst van de kernonderzeeër. In het begin is het nog even interessant, met al die mislukkingen, maar al snel belandt het boek in kalmer vaarwater, en dan volgt er een zakelijke opsomming van alle typen diedoor de zeevarende naties zijn ontworpen. De schrijver legt daarbij veel belangstelling aan de dag voor zaken als motorvermogen, waterverplaatsing, de operationele duikdiepte en ook voor cijfers, series, modellen en nummeringen – die dingen waar het hart van iedere nomenclatuurman sneller van gaat kloppen.

Het is allemaal heel serieus en heel saai. Gelukkig staan er veel foto’s in. En gelukkig komen er soms onwaarschijnlijk lange woorden voorbijdrijven. Zeeslangenproza! Ik noteerde boegtorpedolanceerbuizen, antionderzeebootoorlogsvoering, mijnenleggeronderzeeboot en Atlasgeruispeiler. En in de dorre opsommingen bloeit af en toe een levendige alinea op. Over het bizarre gebruik van lokvogelschepen. Over het verstoppen van een onderzeeër in een berg steenkool op een schip. En over Lothar von Arnauld de la Perrière, de meest succesvolle onderzeebootcommandant aller tijden, die tijdens WO I maar liefst 194 schepen liet zinken. Hij was ook de meest humane. Eerst liet hij de bemanning overstappen in reddingsboten en vertelde hen hoe zij de dichtst bijgelegen haven konden vinden. Aansluitend inspecteerde hij de boorddocumenten en pas daarna vernietigde hij het schip. Het zijn maar drie zinnen. Over zo iemand zou ik wel meer willen lezen, en dan maar iets minder over de totaaltonnage van zijn sub. Ik stel mij zo voor dat hij na de vernietiging van de schepen opdracht gaf nog wat eieren te bakken, om die bij de reddingsboten te bezorgen, daarna beleefd te groeten, het torenluik te sluiten en weer stil onder water te verdwijnen.

Ronny Saxe: Geschiedenis van de onderzeeboot. Lannoo, 176 blz. € 24,95