Geknoopte vlotten en verhalen

‘Langharig, werkschuw tuig’ wilde in de jaren zestig de wereld verbeteren. ‘Robbie’ was een van hen, maar vormde hij ook echt de voorhoede van een leger ongeduldige burgers?

Eric Duivenvoorden: Magiër van een nieuwe tijd. Het leven van Robert Jasper Grootveld. Arbeiderspers, 482 blz. € 29,95

‘Uche uche uche!’ klinkt het in de zomerse nachten van 1964 op het Spui, hartje Amsterdam. ‘Zuster! Zuster! Ik zou niet zo lastig wezen als ik een rokertje kreeg!’ Bij het beeldje van het Lieverdje bezweert antirookmagiër Robert Jasper Grootveld hevig paffend de sigaret en ‘verslaafde consument van morgen’. Hij geniet van de publiciteit die zijn opzwepende monologen en mysterieuze slogans opleveren. Schrijvers en journalisten, provo’s en groupies dwepen met zijn woord- en vertelkunsten. Hier, op het Spui, bereikt Grootveld het toppunt van zijn roem.

Zijn spectaculaire performances inspireren de protestbeweging en tegencultuur. In 1966 zet Provo Amsterdam op stelten met ludieke acties, neemt het ‘langharig, werkschuw tuig’ bezit van de Dam en het Vondelpark en wordt er volop geëxperimenteerd met wiet, lsd en andere geestverruimende middelen. De politie mept er op los en een ontredderde burgemeester Gijsbert van Hall barst op televisie bij Mies Bouwman in tranen uit. De broeierige en gewelddadige sfeer in Amsterdam schrikt Grootveld af en de magiër vlucht voor enkele maanden naar Sicilië.

Krakersbeweging

Deze hoofdrolspeler uit het Magies Sentrum Amsterdam is vaak geïnterviewd, gefilmd en beschreven. Maar nu is er een eerste, vuistdikke biografie voorhanden. In Magiër van een nieuwe tijd probeert Eric Duivenvoorden, zelf afkomstig uit de krakersbeweging van de jaren tachtig, de persoon achter de ‘magiër’ te ontrafelen.

Uit de biografie doemt het beeld op van een leven vol frustraties en zonder balans. Grootveld is in 1932 geboren als een nakomertje. Hij had, en dit verhaal heeft een vaste stek in zijn universum van verhalen, een meisje moeten zijn. Maar Jasperina werd Jasper. Zijn moeder sloeg en negeerde hem. Op basis van vooral Grootvelds – moeilijk te controleren – mededelingen schetst Duivenvoorden het beeld van een teruggetrokken, eenzaam en gefrustreerd jongetje. Ligt in deze traumatische jeugd in combinatie met narcisme en gedragsstoornissen (nu bestempeld als adhd, manisch-depressief) de basis voor Grootvelds persoonlijkheid zoals de auteur opmerkt?

Grootveld lijkt maar geen grip op zijn bestaan te krijgen. Hij dwarrelt van baan naar baan en is onder meer ijsverkoper, glazenwasser, etaleur, letterschilder en zelfs bloedvergieter – in het Wilhelmina Gasthuis spoelt hij flessen met oud bloed schoon. De enige constanten in deze worsteling met zichzelf zijn bordeelbezoek, travestie en homoseksualiteit.

Grootveld houdt van verkleedpartijen en noemt zichzelf een ‘exhibiel’, een samentrekking van exhibitionist en homofiel. In zijn zucht naar erkenning dringt hij door tot de privélevens van zanger Wim Sonneveld, journalist Jan Vrijman en schrijver Gerard Reve. Hij ontpopt zich als schandknaap van artistiek Amsterdam. Maar telkens krijgt hij de bons. Zijn affectieve leven kenmerkt zich dan ook door gebroken relaties, verbroken vriendschappen en uitbarstingen jegens diegenen die hem niet (meer) willen zien. Hij belandt zelfs in een psychiatrische inrichting.

Maar in 1955 al had Grootveld een manier ontwikkeld om positief de aandacht op zich te vestigen. Hij knutselt een vlotje aaneen en dobbert verkleed dagenlang door de Amsterdamse grachten. Zijn act trekt veel bekijks en moedigt hem aan nieuwe performances te ontwikkelen. Zoals hij terugblikkend zou zeggen: ‘Beroemd worden, beroemd, beroemd, beroemd want dan zou het wel makkelijker gaan’. De lokale overheid vindt hem aanvankelijk een ongevaarlijke stadsgek. Maar een decennium later zijn de publieke performances van deze vreemde snoeshaan ineens subversief en zal Grootveld herhaaldelijk in de cel belanden.

De wisselwerking tussen de mainstream en marge is medio jaren zestig snel aan het veranderen en Grootveld ontpopt zich tot een cultfiguur uit de scene van Damsterdamse extremisten, zoals de titel van een werkje uit 1965 luidt. Hij dost zich uit met de vreemdste objecten die hij op straat verzamelt, verkleedt zich als Zwarte Piet en orakelt ‘Klaas komt!’. Zijn absurdistische fantasieën en aanval op de consumptiemaatschappij gaan er bij jonge activisten en oudere intellectuelen uit Tout Amsterdam in als koek.

Magiër van een nieuwe tijd bestaat uit een aaneenschakeling van kleurrijke anekdotes. De meeste aandacht wijdt Duivenvoorden – terecht – aan de jaren vijftig en zestig. Helaas gaat hij nergens in discussie met bestaande interpretaties waarin Grootveld wordt doorgrond als intermédiaire culturel, een bemiddelaar tussen verschillende sociaal-culturele groeperingen die de dragers van het protest waren, of waarin hij wordt beschouwd als een ziekelijke fantast, een pseudoloog. Ook de analyse van Grootveld als autodidact, een bricoleur die leeft in een mentaal en reëel zootje ongeregeld, in chaos, blijft achterwege. In zijn creatieve uitbarstingen, zoals de vlotten die hij in de jaren zeventig en tachtig in elkaar knutselde, lijkt Grootveld op Ferdinand Cheval, de postbode die zijn eigen fantasiekasteel bouwde.

Rollen

Dit soort contextuele informatie, die de levensbeschrijving meer verdieping zouden hebben gegeven, ontbreekt. En wat was nu eigenlijk de betekenis van Grootveld als animal symbolicum voor de tegencultuur? Was hij een inspirator, wegbereider, mentor, deelnemer of misschien wel al deze rollen in een?

Dat deze biografie te weinig reliëf heeft komt ook omdat de biograaf nauwelijks afstand houdt tot zijn onderwerp. Duivenvoorden schrijft bijvoorbeeld consequent over ‘Robbie’ en ‘Jasper’. Maar Duivenvoorden is ook close met Grootveld. De oude magiër zat vanaf 2002 volledig aan de grond. Herhaaldelijke gedwongen opnames op een gesloten psychiatrische afdeling moesten er aan te pas komen om zijn agressie jegens derden en zijn drang tot zelfvernietiging te beteugelen. De lange gesprekken die Duivenvoorden met hem voerde, hielpen Grootveld uit het dal te komen. Maar met uitspraken als ‘Robbie getuigt begin jaren zestig van een door velen bewonderende moed. Menige kunstenaar, schrijver of anderszins betrokken wereldverbeteraar had misschien zelf de boel wel willen opstoken, maar durft niet. Slechts weinigen verstaan de kunst om door de status-quo heen te breken’, houdt hij de mythe rond Grootveld vooral in stand. En was deze stadsfiguur echt die ‘eenzame voorhoede van een leger ongeduldige burgers’ dat stond ‘te popelen de bedaagde Nederlandse samenleving te moderniseren’? Overtuigend is deze veronderstelling allerminst.

Karakteristiek voor Grootveld is dat hij eindeloos knoopte aan zowel zijn verhalen als aan zijn vlotten. Ontknopen deed hij ze nooit. Hierin brengt Magiër van een nieuwe tijd helaas weinig verandering.