Gedeukte nationale identiteit

‘Dutchness’ bestáát, concludeert een Amerikaanse socioloog in een boek over de moord op Theo van Gogh.

Ron Eyerman schetst onze onverwerkte trauma’s.

De moord op Theo van Gogh was geen rituele daad, zegt de Amerikaanse socioloog Ron Eyerman, maar een sociaal drama, een kort verhaal met drie protagonisten die ieder voor zich probeerden de loop van dat verhaal te beïnvloeden. Van Gogh, Hirsi Ali en Mohammed B. waren ‘rationele opportunisten’ op zoek naar erkenning en bezig om hun eigen politieke en persoonlijke belangen te behartigen. In een wankele analyse betoogt Eyerman dat de moord op Van Gogh ook het gevolg is van de manier waarop Nederlanders zichzelf zien in het licht van hun geschiedenis.

De moord kreeg in de publieke opinie drie betekenissen: die van aanval op de vrijheid van meningsuiting; die van het bewijs dat de integratie van immigranten in Nederland was mislukt en die het gevolg was van een botsing van culturen, en het tolerante Nederland tegenover de intolerante islam. Vicepremier Zalm zei: „Het land is in oorlog met de fundamentalistische islam”. Volgens Eyerman handelden Van Gogh, Hirsi Ali en Mohammed B. alle drie vanuit het idee van een oorlog met de islam, zoals die in 1996 al was geïntroduceerd door de Amerikaanse politicoloog Samuel Huntington in The Clash of Civilizations and the Remaking of World Order. Hierin beweert Huntington dat in de 21ste eeuw conflicten tussen staten zullen veranderen in conflicten tussen culturen, meer specifiek tussen het christendom en de islam.

Eyerman laat zien hoe Nederlanders door de eeuwen heen zorgvuldig hun nationale identiteit kozen en bewaakten. Hij reconstrueert hoe Erasmus en Luther de hooggewaardeerde tolerantie in het calvinisme lieten wortelen en hoe Dutchness voor burgerlijke opportunisten een superieure identiteit werd. Dutchness bracht een wij-gevoel tot stand.

Maar Nederland lijdt volgens Eyerman ook aan culturele trauma’s, die nooit behoorlijk zijn behandeld en genezen. De deportatie van honderdduizend Joden, de verlegenheid die ontstond bij de repatriëring van de Indische Nederlanders en de massamoord op Bosnische mannen in Srebrenica hebben deuken veroorzaakt in ons geloof in een wij-gevoel.

Hoe kon die gedeukte nationale identiteit dan leiden tot de moord van een migrant op een Nederlander? Daar is de redenering van Eyerman wat dun. Hij betoogt dat de getraumatiseerde Nederlandse identiteit een mechanisme van insluiting en uitsluiting heeft ontwikkeld, plus een neiging de fouten van anderen te veroordelen. Hij verwijst naar de publieke verontwaardiging over de daden van Jorge Zorreguieta, vader van de toekomstige koningin. Volgens Eyerman rees in de jaren negentig de vraag wie eigenlijk tot de nationale gemeenschap behoren. Wij Nederlanders dus, en zij uit de islamitische wereld niet. Dat uitsluitingsmechanisme, is zijn conclusie, heeft de toorn van Mohammed B. gewekt.

Interessanter dan zijn theorie over ons culturele trauma zijn de portretten die Eyerman maakte van Ayaan Hirsi Ali, Theo van Gogh en Mohammed B. In 2006 verbleef hij drie maanden in Nederland om de toedracht van de moord te onderzoeken. Hij laat zien dat moslims in Nederland, ook de tweede en derde generatie, een ‘magere’ Nederlandse identiteit bezitten en een ‘volle’ moslimidentiteit. Toen Mohammed B., die deel uitmaakte van de onderklasse van migranten, er niet in slaagde succesvol te integreren, identificeerde hij zich sterker met de moslimslachtoffers uit Bosnië, Palestina, Irak en Afghanistan. Zijn radicalisering is volgens Eyerman een verlangen naar een sociaal netwerk, en pas daarna naar een ideologie. ‘Op individueel niveau kun je de bekering van Mohammed B. zien als een lifestyle choice’.

Met Hirsi Ali en Van Gogh is hij sneller klaar. Zij deelden een voorliefde voor het provoceren en zochten beiden naar een breder publiek toen ze aan de film Submission begonnen. Van Gogh was een product van de jaren zeventig die een leven lang fulmineerde tegen de Hollandse burgerlijkheid en onverschilligheid, terwijl Hirsi Ali als nieuwe Nederlander een zintuig bezit voor de gevoeligheden van de Nederlanders. Al bewondert Eyerman Ayaan Hirsi Ali’s vermogen zich uit een achterstandspositie omhoog te vechten, toch portretteert hij haar als een kille persoonlijkheid met een goed gevoel voor timing en tijdgeest. Zijn vergelijking van Submission met The Satanic Verses uit 1988 valt uit in het voordeel van Salman Rushdie, omdat die niet vooraf zinspeelde op het effect van zijn boek, terwijl Hirsi Ali dat wel deed.

Ron Eyerman: The Assassination of Theo van Gogh. From Social Drama to Cultural Trauma. Duke University Press, 240 blz. € 23,-